|
CONTACT ALLERGIE: HET ALLERGOLOGISCH ONDERZOEK |
codes geen / geen |
|
De diagnose contactallergie is een twee-staps proces: ten eerste dient de vertraagde (type IV) of de onmiddelijke (type I) overgevoeligheid voor een bepaalde stof te worden vastgesteld en ten tweede dient aangetoond te worden dat de patiënt is blootgesteld geweest aan die stof en dat die expositie een verklaring is voor de ontstane huidafwijking.
I) INDICATIES VOOR ALLERGOLOGISCH ONDERZOEK
Op basis van een gedetailleerde anamnese en dermatologisch onderzoek van de huid van de patiënt kan de diagnose "huidafwijking op basis van een contactallergie" vermoed worden. Meestal zal het gaan om contacturticaria of contact eczeem, in sommige gevallen rechtvaardigen ook andere diagnosen een plakproefonderzoek, bijvoorbeeld orale lichen planus (tandheelkundige materialen), geneesmiddelreacties (waaronder een fixed drug reaction), een endogeen eczeem (bijvoorbeeld in de flanken op basis van een type IV-allergie voor voedingsadditiva). Bij een atopisch eczeem kan het aantonen en vervolgens vermijden van een allergie voor bijvoorbeeld een lijmstof in schoenen niet alleen leiden tot een afname van het eczeem op de voeten maar ook het makkelijker behandelbaar worden tot zelfs verdwijnen van atopisch eczeem op andere plaatsen van het lichaam. Maar ook bij andere ziektebeelden blijkt in incidentele gevallen een allergologisch onderzoek zinvol te zijn, zoals bij een folliculair beeld, erythema exsudativum multiforme, purpura en vasculitis, granulomateuze beelden, pigmentstoornissen (hypo- en hyperpigmentatie), parapemphigus.
CONTACTECZEMEN
Eczemen (rode, jeukende niet-scherp omschreven huidafwijkingen met mogelijk papeltjes, blaasjes en schilfering) door externe stoffen zijn onder te verdelen in twee categorieën; het ortho-ergische en het contactallergische eczeem.
Het ortho-ergisch eczeem is het cumulatieve gevolg van irritatie van de huid, dwz. dat door veelvuldig contact met het huidoppervlak-beschadigende stoffen de opperhuid zich op den duur niet meer volledig kan herstellen waarna zich klachten gaan ontwikkelen. Tot de subjectieve klachten behoren branderigheid, steken en jeuken, tot de objectieve klachten een droge huid met mild erytheem en lichte schilfering, soms met een craquelé‚ aspect, tot acute en nattende eczemen. Voorbeelden van dergelijke zwak-toxische stoffen zijn detergentia, oplosmiddelen, poetsmiddelen, groentesappen en sommige cosmetische producten zoals shampoos, doucheschuim en zeep. De huid wordt droog en raakt dan sneller geïrriteerd door stoffen die normaal gesproken geen huidreacties zouden opwekken. Atopische individuen zijn gevoeliger voor het optreden van dergelijke reacties. Daarbij speelt een lage relatieve luchtvochtigheid zoals in de winter met lage temperaturen en oostenwind maar ook in het late voorjaar bij een temperatuur van 15-18 graden C ("schraal weer") en in centraal verwarmde ruimtes een verergerende rol.
Het contactallergisch eczeem is gebaseerd op een immunologische herkenning van stoffen met een klein moleculair gewicht die in staat zijn door een in principe gezonde opperhuid te penetreren. Tijdens de eerste fase, de zogenaamde sensibilisatie-fase, treedt er geen uitwendig zichtbare reactie en geen subjectieve klachten van de huid op. Pas na een bepaald aantal exposities (soms pas na jaren) treedt de tweede fase in, wat inhoud dat bij elk contact met die stof, ook wel allergeen genoemd, een zogenaamde vertraagd type immunologische overgevoeligheidsreactie optreedt, wat zich op de huid uit als eczeem. Hoewel voortaan over het gehele huidoppervlak dit eczeem uit te lokken is blijft in principe het eczeem beperkt tot de contactplaatsen met die stof, waarbij bedacht moet worden dat het allergeen gemakkelijker door een dunnere huid dringt en daar eerder een reactie geeft dan bij een dikker gedeelte van de huid. Dat houdt in dat (bij een gelijke expositie aan het allergeen) de handruggen éérder een eczeemreactie zullen vertonen dan de handpalmen. Zo zullen bij een overgevoeligheid voor nagellak de oogleden en de hals na wrijven, eerder een allergisch eczeem vertonen dan de dikkere huid rondom de nagels. Soms vindt reactie op afstand plaats of kan de hele huid meedoen en leiden tot een erytrodermie; een rode, opgezette huid en een indicatie voor een directe ziekenhuis opname. Als er geen hernieuwd contact met die stof plaatsvindt zal het eczeem spontaan in kortere of langere tijd verdwijnen. Echter elke volgende expositie aan die stof zal ter plaatse steeds in ongeveer twee dagen resulteren in een hernieuwde eczeemreactie.
Een expositievariant is de "air-borne" contactdermatitis, veroorzaakt door stoffen die eerst vrijkomen in de lucht en vervolgens contact maken met de huid (bijvoorbeeld haarspray van derden).
CONTACTURTICARIA
Naast het contactallergisch eczeem, wat zoals boven beschreven berust op een vertraagd type contactallergische reactie, bestaat er nog de "immediate type" urticariële contactallergische reactie. Deze reactie treedt op meestal binnen enkele minuten tot een uur na contact met bepaalde stoffen op de intacte huid. Naast de tot de contactplaats beperkte reacties kunnen ook astma, rhinitis, conjunctivitis, maag- en darmklachten als diarree en zelfs anafylactische reacties optreden. Immunologische contacturticaria zijn beschreven op oa. ethylalcohol, parabenen en sommige kwikverbindingen. Urticariële reacties komen echter vaker door een niet-allergische directe vrijmaking van histamine voor dan door een immunologische (allergische) herkenning van de stof. Voorbeelden van stoffen die op niet-immunologische basis een urticariële reactie kunnen geven zijn perubalsem, benzaldehyde, kaneelaldehyde, natriumbenzoaat en sorbinezuur.
II) HET ALLERGOLOGISCH ONDERZOEK
Omdat het lang niet altijd duidelijk is voor welke stoffen er een contactallergie
bestaat is onderzoek nodig: de verdachte stof wordt in contact met de huid
gebracht. Bij het onderzoek wordt gebruik gemaakt van het feit dat het
gehele huidoppervlak bij de sensibilisatie betrokken is. Ook slijmvliezen
zijn erbij betrokken, doch de gevoeligheid van slijmvliezen is ongeveer
20 keer zo laag. Een huidreactie op de contactplaats met de teststof dient
als bevestiging dat de patiënt voor die stof contactallergisch is.
Vermijden van alle contact met de aldus opgespoorde substanties dient dan
te leiden tot verdwijnen cq. niet meer optreden van de huidreactie.
In hoofdlijnen bestaat het allergologisch onderzoek uit:
1. anamnese, gericht op de oorzaak van allergische reacties 2. keuze van het soort allergologisch onderzoek 3. selectie van voor die patiënt relevante allergenen 4. prepareren van de te testen allergeensubstanties 5. aflezen van de huidreactie 6. interpretatie en advies aan de patiënt over welke reacties zijn opgetreden (en wat daardoor vermeden moet worden) en zomogelijk welke alternatieven er voor die stoffen bestaan. 7. teneinde de relevantie van de gevonden positieve reacties met de patiënt te bespreken, wordt de patiënt na 6 weken teruggezien op de polikliniek allergologie, waarna i.h.a. terugverwijzing plaatsvindt naar de algemene dermatologie.
ANAMNESE EN DERMATOLOGISCH ONDERZOEK
Voor het vaststellen op welke stoffen getest moet worden is een ter
zake kundig afgenomen anamnese erg belangrijk. Het doel van deze ondervraging
is het ontmaskeren van eventueel contact met verborgen allergenen. Daarbij
moet gedacht worden aan bijvoorbeeld cosmetica of stoffen waarmee de patiënt
tijdens de beroepsuitoefening in aanraking komt. Vervolgens wordt door
een nauwkeurige dermatologische inspectie van de huid gekeken of de anamnestisch
verkregen informatie een verklaring kan zijn voor de gevonden huidafwijkingen.
Van belang voor een juiste interpretatie zijn:
KEUZE VAN HET ONDERZOEK
Op basis van de anamnese en de dermatologische inspectie ontstaat een vermoeden welke allergenen verantwoordelijk zouden kunnen zijn voor de huidreactie. Het soort huidreactie bepaalt vervolgens welk onderzoek verricht moet worden:
een type IV contactallergie: een vertraagd optredende klacht (meestal eczeem) binnen enkele dagen na de expositie op bv cosmetica, beroepsstoffen, geneesmiddelen, voedingsadditiva. Het gebruikelijke onderzoek is het epicutaan (plakproef)onderzoek op type IV allergie. In hoofdlijnen bestaat dit onderzoek uit: - anamnese, gericht op de oorzaak van allergische reacties - selectie van voor die patiënt relevante plakproefreeksen en individuele allergenen, als toevoeging aan de door de ICDRG aanbevolen routinereeks. Afhankelijk van de grootte van de rug varieert het aantal te testen stoffen tussen 50 en 150. - de te testen allergeensubstanties worden opgebracht op Van der Bend-kamertjes, welke op maandag of dinsdag op de rug van de patiënt gefixeerd worden. - twee dagen na het opplakken worden de reeksen verwijderd, waarbij alle contactplaatsen gemarkeerd worden met fluorescerende inkt. Eventuele positieve reacties worden gekwantificeerd volgens de richtlijnen van de ICDRG: IR, ?+, +, ++, +++ - De volgende dag wordt de rug op bovenbeschreven wijze voor de tweede maal afgelezen, waarna een evaluatiegesprek plaatsvindt met de patiënt. Zo nodig wordt het onderzoek uitgebreid, waarbij punt 3, 4 en 5 herhaald worden. - teneinde de relevantie van de gevonden positieve reacties met de patiënt te bespreken, wordt de patiënt na 6 weken teruggezien op de polikliniek allergologie, waarna i.h.a. terugverwijzing plaatsvindt naar de algemene dermatologie.
In geval UV-expositie heeft bijgedragen aan het ontstaan van de klachten kan dit onderzoek uitgebreid worden met het epicutaan (plakproef)onderzoek met UV-expositie op type IV fotocontactallergie. Een andere test op type IV contactallergische reacties is de topische provocatie (ROAT). Voor stoffen die de epidermale barrière niet passeren kan een intradermaal onderzoek op type IV allergie worden verricht.
een type I contactallergie: een direct in aansluiting aan de expositie optredende klacht (meestal urticaria), op bv atopenen, geneesmiddelen, latex en voedingsmiddelen. Dit type allergie is IgE-gemedieerd en kan ook systemische klachten veroorzaken. Het gebruikelijke onderzoek voor stoffen die de epidermale barrière kunnen passeren is het epicutaan (plakproef)onderzoek op type I allergie, indien niet positief gevolgd door (of initieel indien de stof de epidermale barrière niet kan passeren) een intradermaal onderzoek op type I allergie. Bij dit onderzoek worden de opgeloste allergenen intradermaal in de huid gespoten of via een krasje percutaan intradermaal gebracht. Indien negatief, kan indien nodig overgegaan worden op een orale provocatie.
KEUZE EN VOORBEREIDING VAN DE TE TESTEN STOFFEN
Bij het allergologisch onderzoek worden de verdachte stoffen op de gezonde (lesie-vrije) huid van de rug aangebracht: een contactallergie kenmerkt zich door een huidreactie ter plaatse. Het plakproefonderzoek zou beperkt kunnen blijven tot die allergenen die voor de huidreactie verantwoordelijk gedacht worden. In de praktijk blijkt de reactie nogal eens verklaard te worden door heel andere allergenen dan uit de anamnese naar voren kwam. Dat komt vaker voor bij aandoeningen als handeczeem, een airborne contacteczeem, een systemisch eczeem en niet-eczemateuze huidaandoeningen. Het is onhaalbaar om alle bekende allergenen (dat zijn er momenteel zo'n 4000 en er komen regelmatig nieuwe bij) te testen. Gezien het beperkte aantal stoffen wat per keer op de rug getest kan worden (50 tot 150) én het feit dat vervolgonderzoek binnen 6-8 weken op dezelfde plaats op de rug onbetrouwbaar is, zal een keuze gemaakt moeten worden welke stoffen er getest zullen worden. Sommige stoffen komen zo vaak voor als veroorzakers van contactallergische
reacties dat zij zich een plaats verworven hebben in de door de ICDRG aanbevolen
Europese Standaardreeks. Deze reeks wordt dan ook routinematig meegenomen
in het plakproefonderzoek.
Soms zijn de te testen allergenen niet te
koop. Sommige stoffen worden
onverdund getest ("as is"). Van andere stoffen moet een extract gemaakt worden. Daarbij is de keuze van het vehiculum
(meestal vaseline, soms olijfolie,
water, alcohol, aceton of methylethylketon) en de te gebruiken concentratie
van zeer groot belang. Een te lage concentratie betekent dat er geen huidreactie
optreedt terwijl de patiënt wel allergisch is voor die stof, terwijl
bij een te hoge concentratie een irritatiereactie kan optreden en een hoger
risico bestaat op sensibilisatie door het onderzoek. Wanneer de optimale
testconcentratie van een stof onbekend is zal een concentratie gekozen
moeten worden. Levert die concentratie een allergische huidreactie op,
dan zal deze stof in deze concentratie ook getest moeten worden op tien
tot twintig controlepersonen om uit te sluiten dat de bij de patiënt
gevonden reactie niet fout-positief is.
Een ander probleem bestaat in de toxiciteit van sommige stoffen (met name in de beroepssfeer) waardoor onderzoek onmogelijk veilig uitgevoerd kan worden. Wanneer irriterende stoffen (zoals mascara, nagellak, haarverf, shampoo, zepen, permanent, jodium, quarternaire ammoniumverbindingen (w.o. benzalkoniumchloride), oplosmiddelen, hibitane en jodium) op de rug onder een afsluitende pleister getest worden, geven ze irritatiereacties van de huid die regelmatig moeilijk met zekerheid te onderscheiden blijken te zijn van allergische reacties. Daarom worden irriterende stoffen "open" getest. De stof wordt daartoe op de rug opgebracht, waarna na drogen afgeplakt wordt met een stukje Fixomull. Een probleem bij de open test is dat sommige stoffen vochtig moeten zijn om de huid te kunnen penetreren. Een vergelijkende studie open/gesloten plakproefonderzoek onderzoek is niet voorhanden.
Een samengesteld product als een cosmeticum bijvoorbeeld is minder geschikt om in het plakproefonderzoek mee te nemen. Dat komt omdat in het product de afzonderlijke grondstoffen meestal in een te lage concentratie zitten om met de gebruikelijke procedure van het plakproefonderzoek een positief resultaat te kunnen gegeven. Dat geldt ook voor lokaal toegepaste geneesmiddelen. Voor dergelijke producten is de ROAT beter. In geval van een positieve ROAT kunnen de afzonderlijke ingrediënten van een cosmeticum voor allergologisch onderzoek opgevraagd worden bij de Keuringsdienst voor Waren. Ingrediënten van geneesmiddelen kunnen aangevraagd worden bij de betreffende fabrikant.
Problemen door een onjuiste concentratie kunnen bijvoorbeeld optreden bij een allergie voor het conserveringsmiddel thiomersal in een contactlensvloeistof. Ook al wordt de contactlensvloeistof getest "as is", dat wil zeggen zonder verdunning, bij epicutaan testen blijkt in het algemeen geen reactie op te treden. Wordt daarbij thiomersal apart getest in een concentratie van 0.1% in vaseline, dan treedt hier wèl een reactie op. Kennelijk is de in de contactlensvloeistof gebruikte concentratie thiomersal (0.004%) te laag om bij het allergologisch onderzoek een positieve reactie uit te lokken. Vervanging van die vloeistof door een andere die geen thiomersal bevat leidt dan tot verdwijnen van de klachten. Zou de thiomersal-allergie niet onderkend worden, dan bestaat het risico op eczeemreacties bij contact bijvoorbeeld met thiomersal-bevattende cosmetica.
Parfum zit in zepen in een concentratie van 0.1%. Wordt plakproefonderzoek gedaan met een zeep, dan dient ter voorkoming van toxische reacties de zeep verdunt te worden tot 1 of 2%. De in die zeep aanwezige parfum wordt daarmee verdunt tot 0.001% wat voor parfum meestal een te lage concentratie is om in een plakproefonderzoek nog een reactie op te wekken bij een gesensibiliseerde patiënt. De ervaring heeft geleerd dat hiervoor een 5% oplossing in alcohol nodig heeft. Waarom dan toch een contactallergie op kan treden op parfum in zeep kan verklaard worden door het feit dat aan het begin van de washandeling en bij het achterblijven van zeepresten de concentratie parfum vaak veel hoger is. Daarnaast kan door het fixatief voor het parfum de sensibiliserende exponering vele honderden malen langer duren. Tenslotte leidt expositie van dunnere huiddelen (gelaat, binnenzijde bovenarm e.d.) aan zeep tot een grotere penetratie. Ook de vroeger vaak optredende chroomallergie dient door een veel hogere concentratie chroom (0.5% in vaseline) aangetoond te worden dan dat er in cement zat: 0.0001%.
INTERPRETATIE EN ADVIES
Het
plakproefonderzoek is een bioassay waarbij fout-positieve en fout-negatieve
uitslagen kunnen voorkomen naast bijwerkingen zoals een exacerbatie van het
pre-existente eczeem, een sensibilisatie als gevolg van contact met de
teststoffen en een type I systemische reactie.
Een positieve test betekent niet noodzakelijkerwijs dat daarmee het allergeen gevonden is wat de huidige eczeemklachten veroorzaakt. Een positieve patch kan immers het gevolg zijn van een vroegere sensibilisatie die op dit moment niet relevant is voor het eczeem. Het is dan ook essentieel om de patch-test te interpreteren vanuit het verhaal en de gevonden huidafwijkingen van de patiënt; een patch-test is dan ook zo goed als de vaardigheid van diegene die de test uitvoert.
Pitfalls zijn onder andere: - het optreden van een gecombineerd toxische en allergische reactie - onderscheid tussen een toxische en een allergische reactie (o.a. bij benzalkoniumchloride) kan moeilijk of onmogelijk zijn - een sterk positieve reactie heeft een versterkende invloed op andere patches
Wordt geen positieve reactie gevonden bij het allergologisch onderzoek dan ligt de oorzaak bijvoorbeeld in een toxische reactie, of is het oorzakelijke allergeen niet meegetest of niet in de juiste concentratie getest. Een belangrijk vraagstuk bij de formulering van producten die in contact komen met de huid is de voorspelling van het vermogen tot het ontwikkelen van een allergie. In 1944 werd voor het eerst een testmethode beschreven op mensen. Een stof, waarvan de eventuele toxiciteit is onderzocht, wordt meerdere keren geappliceerd op de huid van 200 proefpersonen, waarna, na een rustperiode, een plakproef wordt uitgevoerd die een eventuele sensibilisatie moet aantonen. De concentratie die bij dit soort testen gebruikt wordt voor inductie ligt enkele keren hoger dan de uiteindelijke gebruiksconcentratie. Deze methode zal in staat zijn om stoffen te identificeren met een relatief sterk allergeen potentieel. Bedacht moet worden dat de inductie van een allergie ook van de boven beschreven factoren zal afhangen. Voor een betrouwbare "index of sensitivity", (de incidentie van voor een stof allergische personen vergeleken met andere stoffen) zijn veel meer proefpersonen nodig om enige zekerheid te krijgen. Een negatieve reactie in 200 personen sluit het optreden van een contactallergie in 1:38 mensen (99.5% level) niet uit. Deze frequentie sluit praktisch gebruik van deze stof uit. Negatieve patch testen in 5300 proefpersonen betekent dat een contactallergische reactie op zal kunnen treden in minder dan 1 per 1000 consumenten. De uiteindelijke gebruikspraktijk zal dus het uiteindelijke sensibilisatiepotentieel laten zien. Bestanddelen van kosmetica die vaker een allergie blijken te veroorzaken behoren tot de groepen van antimicrobiële middelen, parfums (fragrances) en emulgatoren.
10-03-2011 (HBW) - www.huidziekten.nl |
|
||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|||