AIDS (acquired immune deficiency syndrome) home ICD10: B24

Symptomen: algemene malaise, vermoeidheid, koorts, soms exantheem, nachtzweten, diarree, verminderde eetlust, gewichtsverlies, lymfeklierzwellingen, later opportunistische infecties. De oorspronkelijke CDC criteria waren: verschijnselen van immunodeficiëntie e.c.i. en een ernstige opportunistische infectie (Pneumocystis carinii, Toxoplasma gondii, Mycobacterium avium, Candida albicans, HSV, CMV) of Kaposi sarcoom. Tegenwoordig wordt meer gevaren op de viral load en het aantal CD4-positieve cellen.

AIDS associated dermatoses

Diagnostiek:
HIV test, aantonen van het virus (p24 antigeen of PCR), of antistoffen tegen het virus, en absoluut aantal CD4+ T-lymfocyten (CD4/CD8 ratio). Een HIV-sneltest is beschikbaar. Aanvullend: p24 antigeen, β2-microglobuline, neopterine in urine, BSE, Hb, diff, routine klinisch chemisch, serologische tests op syphilis, toxoplasmosis, hepatitis, EBV, CMV, en herpes simplex, immunoglobulinen kwantitatief, kweken op opportunistische infecties.

Therapie:
HAART, combinatietherapie met antivirale middelen, en bestrijden van de AIDS-gerelateerde infecties. De globale criteria voor het starten van HAART zijn:
- Aanwezigheid van HIV-gerelateerde symptomen: starten
- Geen klachten, CD4 > 500: starten bij snelle daling van het aantal CD4-cellen of een viral load hoger dan 30.000 (sommigen adviseren om reeds bij viral load > 5.000 te starten).
- Geen klachten, CD4 < 500: starten, eventueel afwachten bij CD4 > 350 en viral load < 5.000.


AIDS: CDC-classifikatie (MMWR 1986)
Groep I, acute HIV-infectie
Mononucleosis infectiosa-achtig ziektebeeld (zie ook primair HIV-exantheem) met of zonder aseptische meningitis dat enkele weken na besmetting met HIV op kan treden. Tijdens, of enkele weken na dit ziektebeeld treedt seroconversie op.

Groep II, asymptomatische HIV-infectie
Antistoffen tegen HIV zijn aantoonbaar, maar er zijn geen klinische verschijnselen; ook niet in het verleden geweest (uitgezonderd de acute HIV-infectie). Patiënten die geclassificeerd zijn in groep III of IV worden bij verdwijnen van de bijbehorende verschijnselen niet opnieuw geclassificeerd in groep II.

Groep III, persisterende gegeneraliseerde lymfadenopathie (PGL)
Lymfkliervergroting van > 1 cm op twee (of meer) niet-inguinale lymfklierstations gedurende meer dan drie maanden, zonder dat andere bijkomende aandoeningen deze kunnen verklaren. Groep IVA, algemene verschijnselen Koorts of diarree langer bestaande dan 1 maand, of spontaan gewichtsverlies van meer dan 10% van het uitgangsgewicht zonder bijkomende aandoeningen die deze kunnen verklaren. Groep IVB, neurologische afwijkingen Dementie, myelopathie of perifere neuropathie zonder bijkomende aandoeningen die deze kunnen verklaren.

Groep IVC, opportunistische infecties
C1: pneumocystis carinii pneumonie, chronische cryptosporidiosis, toxoplasmosis, extra-intestinale strongyloïdiasis , isosporiasis, candidiasis (oesophageaal, bronchiaal of pulmonair), cryptococcosis, histoplasmosis, mycobacteriële infectie met Mycobacterium avium complex of Kansasii, cytomegalovirus infectie, chronische mucocutane of gedissemineerde herpes simplex virus infectie.
C2: orale harige leukoplakie, herpes zoster in meerdere dermatomen, recidiverende Salmonella sepsis, nocardiosis, tuberculosis of orale candidiasis.

Groep IVD, tumoren
Kaposi sarcoom, non-Hodgkin-lymfoom en het primaire hersen lymfoom.

Groep IVE, overige bevindingen
Hieronder vallen verschijnselen die wijzen op een defect in de cellulaire immuniteit en ziektebeelden waarvan het verloop of de reaktie op therapie anders is door de bijkomende HIV-infectie.


CRC Classicifactie

CD4+ Stage Clinical Division
    A B C
    Asymptomatic AIDS Associated ilnesses AIDS defining ilnesses
> 500 1      
200-499 2 Stage 1 Stage 2 Stage 3
< 200 3      


AIDS gerelateerde huidziekten
Kaposi sarcoom en oral hairy leukoplakia zijn sterk geassocieerd met AIDS, hoewel Kaposi sarcoom ook voorkomt bij de risicogroep zonder dat sprake is van HIV infectie. De volgende dermatosen lijken wat vaker geassocieerd met AIDS voor te komen (en vaak ook in een meer fulminante vorm) dan in de gezonde populatie:

Infectieus; viraal: Herpes simplex (abnormale presentatie, grote blazen, ulcera, perianale ulcera, recidieven, vegetatieve plasques), Herpes zoster, verruca vulgaris, condyloma accuminatum (uitgebreide chronische intra-anale condylomen, AIN), oral hairy leukoplakia (EBV), molluscum contagiosum (grote laesies, laesies die naar binnen groeien i.p.v. exofytisch), cytomegalovirus infectie (maculopapuleuze rash, noduli, plaques, vesikels, blaren, peri-anale ulcera, vasculitis); mycosen: candidiasis, tinea corporis, pityrosporum-infecties, dermatomycosen z.n.s., cryptococcosis, (para-)coccidiomycosis, sporotrichosis, histoplasmosis; bacterieel: pyodermieën, folliculitis, impetigo, ecthyma gangrenosum, syfilis, TBC en andere mycobacteriële infecties, botryomycosis, bacillaire epitheloïd angiomatosis (Bartonella henselae, Bartonella quintana), kattekrabziekte; protozoa: pneumocystis carinii, amoebiasis, Leishmaniasis, toxoplasmose; infestaties: scabies (Norvegica), demodicosis.  

Neoplasmata: Kaposi en andere angiomata, lymfomen (Burkitt-lymfoom, cutaan B-cel lymfoom, cutaan T-cel lymfoom, m. Hodgkin), basaalcelcarcinomen en plaveiselcelcarcinoom (m.n. anaal/rectaal), melanoma. Door chronische infectie van het anale slijmvlies met HPV virus gaan intra-anale condylomen over in AIN (anale intra-epitheliale neoplasie graad I-III) en vervolgens in anale plaveiselcelcarcinomen. Omdat HIV-patiënten door de antiretrovirale therapie nu langer leven, begint het anale carcinoom een belangrijke nieuwe doodsoorzaak te worden. Op dit moment wordt onderzocht of screeningsprogramma's zin hebben. Dit is niet zeker: condylomen en AIN stadia kunnen lokaal behandeld worden, maar bij HIV blijft de risicofactor (het HPV virus) aanwezig in het anusslijmvlies. Met zeer intensieve proctoscopische screeningsprogramma's kunnen anale carcinomen in een vroeg stadium gedetecteerd worden, maar het moet nog blijken of vroege detectie ook leidt tot afname van de sterfte.

Overige dermatosen; erythematosquameus: eczema seborrhoicum, exanthemen, erytrodermieën, asteatosis cutis, ichthyosis, lichen spinulosus, psoriasis, m. Reiter (keratoderma blenorrhagica), m. Grover, pityriasis rosea, pityriasis rubra pilaris; maculopapuleus: geneesmiddelen exanthemen, erythema dyschromicum perstans, erythema elevatum diutinum, granuloma annulare, prurigo, prurigo parasitaria, pruritic and papular eruption of AIDS; vesiculobulleus: epidermolysis bullosa acquisita, EEM, TEN, dermatitis herpetiformis, parapemphigus, porphyria cutanea tarda; folliculair: eosinofiele pustuleuze folliculitis, bacteriële folliculitis, demodex folliculitis, neutrofiele eccriene hidradenitis, pityrosporon follicilitis; overige: aften, sicca syndroom, acute necrotiserende ulceratieve gingivitis, vasculitis, chronische actinische dermatitis, e.a. fotodermatosen, pruritus, hypereosinofiel syndroom, cutis marmorata (kinderen), haarafwijkingen, PLEVA, pyoderma gangrenosum, trombocytopenische purpura, bijwerkingen van anti-retrovirale medicatie.  


Auteur(s):
dr. Jan R. Mekkes. Dermatoloog, AMC, Amsterdam.

06-09-2017 (JRM) - www.huidziekten.nl W3C-html-4.01-valid



web counter