AIDS (acquired immune deficiency syndrome)

codes 0042.9009 / B24.

 

Symptomen: algemene malaise, vermoeidheid, koorts, soms exantheem, nachtzweten, diarree, verminderde eetlust, gewichtsverlies, lymfeklierzwellingen, later opportunistische infecties. De oorspronkelijke CDC criteria waren: verschijnselen van immunodeficiëntie e.c.i. en een ernstige opportunistische infectie (Pneumocystis carinii, Toxoplasma gondii, Mycobacterium avium, Candida albicans, HSV, CMV) of Kaposi sarcoom. Tegenwoordig wordt meer gevaren op de viral load en het aantal CD4-positieve cellen. Diagnostiek: HIV test, aantonen van het virus (p24 antigeen of PCR), of antistoffen tegen het virus, en absoluut aantal CD4+ T-lymfocyten (CD4/CD8 ratio). Een HIV-sneltest is beschikbaar. Aanvullend: p24 antigeen, β2-microglobuline, neopterine in urine, BSE, Hb, diff, routine klinisch chemisch, serologische tests op syphilis, toxoplasmosis, hepatitis, EBV, CMV, en herpes simplex, immunoglobulinen kwantitatief, kweken op opportunistische infecties.

 

Therapie: HAART, combinatietherapie met antivirale middelen, en bestrijden van de AIDS-gerelateerde infecties. De globale criteria voor het starten van HAART zijn:

- Aanwezigheid van HIV-gerelateerde symptomen: starten

- Geen klachten, CD4 > 500: starten bij snelle daling van het aantal CD4-cellen of een viral load hoger dan 30.000

  (sommigen adviseren om reeds bij viral load > 5.000 te starten).

- Geen klachten, CD4 < 500: starten, eventueel afwachten bij CD4 > 350 en viral load < 5.000.

R/ Retrovir (zidovudine, AZT), 2 dd 2 caps à 250 mg. Geïndiceerd bij daling T4-lymfocyten < 500/mm3 in combinatie met vroege ziekteverschijnselen, bij daling < 200/mm3, en bij het constateren van snelle daling (Gemiddelde daling is 100 T4-lymfo's per anderhalf jaar, na omslagpunt rond de 350-400 begint snelle daling met 100 T4-lymfo's per half jaar).

R/ Epivir (lamuvidine, 3TC), 2 dd 150 mg.

R/ Combivir (zidovudine 300 mg + lamuvidine 150 mg), 1 dd 1 tab.

R/ Crixivan (indinavir),  3 dd 800 mg, Crixivan + Combivir, etcetera.

 

 

AIDS: CDC-classifikatie (MMWR 1986)

Groep I, acute HIV-infectie

Mononucleosis infectiosa-achtig ziektebeeld (zie ook primair HIV-exantheem) met of zonder aseptische meningitis dat enkele weken na besmetting met HIV op kan treden. Tijdens, of enkele weken na dit ziektebeeld treedt seroconversie op.

Groep II, asymptomatische HIV-infectie

Antistoffen tegen HIV zijn aantoonbaar, maar er zijn geen klinische verschijnselen; ook niet in het verleden geweest (uitgezonderd de acute HIV-infectie). Patiënten die geclassificeerd zijn in groep III of IV worden bij verdwijnen van de bijbehorende verschijnselen niet opnieuw geclassificeerd in groep II.

Groep III, persisterende gegeneraliseerde lymfadenopathie (PGL)

Lymfkliervergroting van > 1 cm op twee (of meer) niet-inguinale lymfklierstations gedurende meer dan drie maanden, zonder dat andere bijkomende aandoeningen deze kunnen verklaren.

Groep IVA, algemene verschijnselen

Koorts of diarree langer bestaande dan 1 maand, of spontaan gewichtsverlies van meer dan 10% van het uitgangsgewicht zonder bijkomende aandoeningen die deze kunnen verklaren.

Groep IVB, neurologische afwijkingen

Dementie, myelopathie of perifere neuropathie zonder bijkomende aandoeningen die deze kunnen verklaren.

Groep IVC, opportunistische infecties

C1: pneumocystis carinii pneumonie, chronische cryptosporidiosis, toxoplasmosis, extra-intestinale strongyloïdiasis , isosporiasis, candidiasis (oesophageaal, bronchiaal of pulmonair), cryptococcosis, histoplasmosis, mycobacteriële infectie met Mycobacterium avium complex of Kansasii, cytomegalovirus infectie, chronische mucocutane of gedissemineerde herpes simplex virus infectie.

C2: orale harige leukoplakie, herpes zoster in meerdere dermatomen, recidiverende Salmonella sepsis, nocardiosis, tuberculosis of orale candidiasis.

Groep IVD, tumoren

Kaposi sarcoom, non-Hodgkin-lymfoom en het primaire hersen lymfoom.

Groep IVE, overige bevindingen

Hieronder vallen verschijnselen die wijzen op een defect in de cellulaire immuniteit en ziektebeelden waarvan het verloop of de reaktie op therapie anders is door de bijkomende HIV-infectie.

 

WALTER REED CLASSIFICATIE:

 

Stadium

HIV-antilichaam en/of virus 

chronische lymphadeno- pathie

T-helper- cellen/mm3

vertraagde over-

gevoeligheid

candidiasis oris

opportunistische infecties

WR 0

-

>400

normaal

-

-

WR 1

+

-

>400

normaal

-

-

WR 2

+

+

>400

normaal

-

-

WR 3

+

+/-

<400

normaal

-

-

WR 4

+

+/-

<400  

P

-

-

WR 5

+

+/-

<400

P of C

+

-

WR 6

+

+/-

<400

P of C

+/-

+

 

De essentiële criteria voor de indeling in een stadium zijn vetgedrukt. P = partiële cutane anergie, gedefiniëerd als een intacte cutane reactie op slechts één van de vier testantigenen; C = complete cutane anergie. 

In Walter Reed stadium 0 (WR0) is er sprake van blootstelling aan het virus. In WR1 zijn antistoffen tegen het virus of het virus zelf aantoonbaar. In WR2 is er sprake van chronische lymfadenopathie, langer bestaand dan drie maanden. In WR3 is het aantal CD4 cellen gedaald tot onder de 400/mm3. In WR4 zijn de huidtesten die de cellulair immuniteit testen gedeeltelijk afwijkend. In WR5 zijn deze testen volledig afwijkend en/of is er sprake van orale candidiasis. In WR6 is er sprake van opportunistische infectie. De cellulaire immuniteit wordt getest met de volgende antigenen: tetanus, trichophyton, bof en candida.

 

Nieuwe CRC Classicifactie

 

CD4+

Stage 

Clinical Division

 

 

A

B

C

 

 

Asymptomatic

AIDS associated ilnesses

AIDS defining ilnesses

> 500

1

Stage 1

 

 

200-499

2

 

 

Stage 3

< 200

3

 

Stage 2

 

 

 

AIDS gerelateerde huidziekten

Kaposi sarcoom en oral hairy leukoplakia zijn sterk geassocieerd met AIDS, hoewel Kaposi sarcoom ook voorkomt bij de risicogroep zonder dat sprake is van HIV infectie. De volgende dermatosen lijken wat vaker geassocieerd met AIDS voor te komen (en vaak ook in een meer fulminante vorm) dan in de gezonde populatie:

 

Infectieus; viraal: Herpes simplex, Herpes zoster, verruca vulgaris, condyloma accuminatum, oral hairy leukoplakia (EBV), molluscum contagiosum, cytomegalovirus infectie (maculopapuleuze rash, noduli, plaques, vesikels, blaren, peri-anale ulcera, vasculitis); mycosen: candidiasis, pityrosporum-infecties, dermatomycosen z.n.s., cryptococcosis, (para-)coccidiomycosis, sporotrichosis, histoplasmosis; bacterieel: pyodermieën, folliculitis, impetigo, ecthyma gangrenosum, syfilis, TBC en andere mycobacteriële infecties, botryomycosis, bacillaire angiomatosis, kattekrabziekte; protozoa: amoebiasis, Leishmaniasis, toxoplasmose; infestaties: scabies (Norvegica), demodicosis.

Neoplasmata: Kaposi en andere angiomata, lymfomen, basaal- en plaveiselcelcarcinoom (m.n. anaal/rectaal), melanoma.

Overige dermatosen; erythematosquameus: eczema seborrhoicum, exanthemen, erytrodermieën, asteatosis cutis, ichthyosis, lichen spinulosus, psoriasis, m. Reiter (keratoderma blenorrhagica), m. Grover, pityriasis rosea, pityriasis rubra pilaris; maculopapuleus: geneesmiddelen exanthemen, erythema dyschromicum perstans, erythema elevatum diutinum, granuloma annulare, prurigo, prurigo parasitaria, pruritic and papular eruption of AIDS; vesiculobulleus: epidermolysis bullosa acquisita, EEM, TEN, dermatitis herpetiformis, parapemphigus, porphyria cutanea tarda; folliculair: eosinofiele pustuleuze folliculitis, bacteriële folliculitis, demodex folliculitis, neutrofiele eccriene hidradenitis, pityrosporon follicilitis; overige: aften, sicca syndroom, acute necrotiserende ulceratieve gingivitis, vasculitis, chronische actinische dermatitis, e.a. fotodermatosen, pruritus, hypereosinofiel syndroom, cutis marmorata (kinderen), haarafwijkingen, PLEVA, pyoderma gangrenosum, trombocytopenische purpura, bijwerkingen van anti-retrovirale medicatie.

 

 

Patientenfolder

 

 

 

 

 

31-12-2004 (JRM) -  www.huidziekten.nl