ACNE MEDICAMENTOSA (ACNE DOOR GENEESMIDDELEN)

codes 0693.0005 / L70.84

 

Acne medicamentosa is een acneïforme eruptie, veroorzaakt door geneesmiddelen. Sommige vormen lijken globaal op acne, andere zijn er niet van te onderscheiden. Net als bij gewone acne ligt het aangrijpingspunt in het infundibulaire epitheel van de talgklierfollikel. De pathogenese kan hetzelfde zijn, zoals bij hormonaal geinduceerde acne (steroid acne, bodybuilders acne), of het gevolg zijn van cytotoxiciteit het geneesmiddel, dat in talg wordt uitgescheiden en het folliculaire epitheel beschadigt met een ruptuur als gevolg. Hierdoor komt de inhoud van de follikel in de dermis terecht, waarna een inflammatoire reactie ontstaat. 

Een acneïforme uitslag bestaat meestal uit monomorfe papels en pustels in hetzelfde ontwikkelingsstadium, die vrij plotseling binnen enkele dagen of weken ontstaan na introductie van de oorzakelijke medicatie. Meestal in het gelaat, de romp, armen, billen. De uitslag kan op alle leeftijden voorkomen. Soms treden koorts en malaise op. Comedonen zijn primair afwezig maar secundaire comedonen kunnen ontstaan door inkapseling van het primaire abces. De uitslag trekt vrij snel weg na het stoppen van de oorzakelijke medicatie.

 

Diverse geneesmiddelen kunnen een acne medicamentosa induceren:

• 

corticosteroïden, corticotrophine (ACTH) (steroid acne), anabole steroïden, testosteron

• 

Hormonen: androgenen (bij vrouwen), OAC (Stederil-D, Neogynon, Depo-provera). Alternatief: sub-50 pillen zoals Femodeen, Marvelon, Ovidol 50.

• 

Halogenen: bromide, chloride, jodide, halothane. Zie ook iododerma en bromoderma.

• 

Epidermale groeifactor receptor remmers (EGFR-inhibitoren), zoals gefitinib, erlotinib.

• 

Anti-epileptica: hydantoïne derivaten, phenobarbital, trimethadione.

• 

Tuberculostatica: isoniazide, rifampicine, ethionamide, ethambutol

• 

Diversen: amineptine, ciclosporine, cyanocobalamine, dantrolene, goud- en lithiumzouten, maprotiline, psoralenen, quinine, quinidine, vitamine B1, B6 en B12, carbamazepine, cefalexine, cefradine, cefazoline, chloramphenicol, cotrimoxazol, dactinomycine, diltiazem, furosemide, naproxen, norfloxacine, piperazine, pyrimethamine, streptomycine, en tetracycline.

 

 

Acneiforme dermatosen door EGRF remmers

Bij circa 80% van patienten die epidermale groeifactor receptor remmers (EGFR-inhibitoren) gebruiken ontstaat een acneiforme eruptie, bij circa 10% neemt het een ernstige vorm (graad III) aan. EGFR remmers bestaan in de vorm van parenteraal toegediende monoklonale antistoffen (cetuximab, panitumumab, zalutumumab), en als orale tyrosinekinase-inhibitoren specifiek voor EGFR (gefitinib, erlotinib) of niet-specifiek voor EGFR (lapatinib, vandetanib). De EGFR-inhibitoren veroorzaken karakteristieke huidafwijkingen. Binnen 2 weken na het starten treedt een acneïforme eruptie op, bestaande uit folliculaire papels en steriele pustels zonder voorafgaande comedonen / meeëters, in de huidgebieden die rijk zijn aan talgklieren, met name het gelaat (neus, wangen, voorhoofd), de nek, de scalp, de schouders, de borst en de bovenrug. Jeuk en branderigheid komen voor. De uitslag bereikt een maximum na drie weken en dooft dan geleidelijk uit, met soms mildere recidieven bij elk volgend infuus. Zonblootstelling is een uitlokkende factor. Andere huidafwijkingen kunnen zijn xerosis, eczeem, kloven, nagelwal ontsteking (unguis incarnatus met granuloma pyogenicum-achtige hypergranulatie), lange gekrulde wimpers, stugge wenkbrauwen, haarverlies op de scalp, traag groeien van de baard, hyperpigmentatie, droge slijmvliezen, aften, conjunctivitis, en vervellingen aan de handpalmen en voetzolen (hand - foot syndrome, palmoplantar erythrodysesthesia syndrome).

 

 

Acneiforme eruptie door sorafenib EGFR remmer (klik op foto voor vergroting)

Acneiforme eruptie door sorafenib EGFR remmer (klik op foto voor vergroting)

Xerosis door sorafenib EGFR remmer (klik op foto voor vergroting)

acneiforme eruptie EGFR remmer

acneiforme eruptie EGFR remmer

xerosis door sorafenib

 

 
Acneiforme eruptie door mTOR-inhibitoren
mTOR (mammalian target of rapamycin) inhibitoren zoals rapamycine (sirolimus) worden gebruikt in de transplantatiegeneeskunde. Bij niertransplantatiepatiënten die behandeld worden met sirolimus treedt een acneïforme eruptie op bij bijna de helft van de patiënten. De huiduitslag lijkt op EGFR inhibitor acne, inclusief aantasting van de scalp, nagelwalontsteking en hypertrichosis. Andere symptomen kunnen zijn afteuze stomatitis (60%), epistaxis (60%), chronisch oedeem van de onderste ledematen (53%), ridging van de nagels (33%), onycholyse (31%), chronische gingivitis (20%), angio-oedeem (15%) en hidradenitis suppurativa (12%).

 

 

 

 

Therapie:

Stoppen van de veroorzakende medicatie. Bij oncologische of transplantatie patienten is dit niet mogelijk en rest symptoombestrijding. Algemene maatregelen zijn zonprotectie en het voorkomen van uitdroging van de huid (hydraterende crèmes, badolie, overvette zeep). Milde gevallen van acneïforme uitslag kunnen behandeld worden met metronidazolcrème of -gel of topische anti-acnebehandelingen zoals erytromycine of clindamycine lotion. Keratolytica zoals benzoylperoxide, retinoïden, adapaleen, tazaroteen, en tacrolimus en pimecrolimus zijn niet werkzaam en te irriterend. Lokale steroïden kunnen een acne of rosacea uitlokken. Jeuk kan worden bestreden met mentholcrème en een antihistaminicum. Vanaf matig ernstige reacties (graad II) bestaat de behandeling uit orale tetracyclines  gedurende 3 maanden. Voor ernstige reacties (graad III) kan de dagdosis tijdelijk verdubbeld worden.

 

R/ Sunscreens.

R/ metronidazolcrème of -gel.

R/ erytromycine of clindamycine lotion.

R/ Minocin (minocycline) 1 dd 100 mg, doxycycline 1 dd 100 mg, tetracycline 4 dd 250-500 mg.

R/ Bij superinfectie fusidine crème of oraal cefuroximaxetil of flucloxacilline.

 

 

Referenties

1.

S. Segaert. Medicamenteuze acneïforme erupties. Ned Tijdschr Dermatol Venereol 2010;20:154-158

 

 

 

 

 

22-10-2011 (JRM) -  www.huidziekten.nl