AUTO IMMUUNZIEKTEN, DIAGNOSTIEK
|
Diagnostiek bij auto-immuunziekten |
Te bepalen antistoffen tegen: |
|
Reumatoïde artritis (RA) |
reumaserologie (IgG, perinucleaire factor) |
|
Gesystematiseerde
lupus |
kernantigenen,
dsDNA, Sm |
|
Syndroom
van Sjögren |
kernantigenen,
SS-A (Ro), SS-B (La), |
|
Mixed connective tissue disease (MCTD) |
kernantigenen, nRNP |
|
Sclerodermie, CREST-syndroom |
kernantigenen, Scl-70, centromeren |
|
Polymyositis, dermatomyositis |
kernantigenen, Jo-1 |
Voor overzichtsartikel over serologie bij auto-immuunziekten zie:
REUMATOÏDE ARTRITIS
Bij
patiënten met reumatoïde artritis (RA) zijn in een groot aantal gevallen
zogenaamde reumafactoren (Rf-en) aantoonbaar. Dit zijn antistoffen die gericht
zijn tegen IgG. De in het serum van deze patiënten voorkomende reuma-factoren
zijn voornamelijk van de IgM-klasse.
Reumafactoren van de IgG-klasse kunnen soms ook voorkomen. Bij uitgebreid
onderzoek van serum van een grote groep patiënten met RA is gebleken, dat
indien IgG-Rf-en aantoonbaar waren, dit bijna altijd gepaard ging met de
aanwezigheid van IgM-Rf-en. Slechts zeer sporadisch werden IgG-Rf-en gevonden
bij afwezigheid van IgM-Rf-en.
Tevens bleek de frequentie van voorkomen van IgG-Rf-en bij patiënten met RA
gelijk te zijn aan de frequentie die gevonden werd in een groep gezonde
personen. Uit dit onderzoek is duidelijk naar voren gekomen dat het bepalen van
IgG-Rf-en geen winst oplevert voor de serologische diagnostiek van RA. Wel is
het zinnig om bij patiënten die men verdenkt van RA, de antiperinucleaire
factor (APF) te bepalen. Dit zijn antistoffen gericht tegen profilaggrine, dat
aanwezig is in keratohyaliene bolletjes die voorkomen in het cytoplasma van
normale menselijke wangslijmvliescellen. Zij zijn bij ongeveer 70% van de
patiënten met RA aantoonbaar. Het is de meest specifieke test in de
serologische diagnostiek van RA. Bij ongeveer 10% van de patiënten met RA
blijkt de APF als enige serologische parameter aantoonbaar te zijn. Met name bij
deze patiënten kan de aanwezigheid van de APF een aanwijzing zijn voor een
ernstig ziektebeloop.
Rf-en kunnen ook worden gevonden bij andere autoimmuunziekten, bij subacute
bacteriële endocarditis en infecties als lepra, tuberculose etc. Vaak zijn in
het serum van patiënten met RA circulerende immuuncomplexen aan te tonen. Ook
verder complement-onderzoek kan bij deze patiënten nuttig zijn. Sinds enige
jaren is er een, door de Stichting Relares (= Referentie laboratorium
reumaserologie) uitgebracht, referentieserum voor de bepaling van Rf-en en de
APF verkrijgbaar. Hierdoor is het mogelijk de uitslagen van de verschillende
bepalingen in Internationale Eenheden/ml (IE/ml) uit te drukken.
Voor de bepaling van Rf-en worden de drie volgende bepalingen bij het CLB
uitgevoerd:
-de Waaler-Rose test. Positief vanaf 12,5 IE/ml.
-de Latex-fixatie test. Positief vanaf 25 IE/ml.
-de IgM-Rf-ELISA. Positief vanaf 12,5 IE/ml.
Percentage positieve uitslagen diverse tests in sera van verschillende
patiëntengroepen en gezonde personen
|
Waaler- Rose test |
Latex test |
IgM-Rf ELISA |
APF |
|
|
RA |
57 |
62 |
75 |
70 |
|
SLE |
6 |
9 |
25 |
6 |
|
Artrose |
3 |
3 |
- |
3 |
|
M. Bechterew |
0 |
0 |
- |
0 |
|
PBC |
5 |
33 |
48 |
0 |
|
Al-thyreoïditis |
0 |
2 |
- |
2 |
|
Al-gastritis |
0 |
0 |
- |
0 |
|
gezonde personen |
1 |
2 |
10 |
2 |
RA : reumatoïde artritis
SLE : gesystematiseerde lupus erythematosus
PBC : primaire biliaire cirrose
AI : autoimmuun
- : niet bekend
Het is belangrijk te weten dat lang niet elk serum van een seropositieve
RA--patiënt een positieve uitslag geeft in iedere test. Een aantal sera van
patiënten met RA is slechts positief in één van de Rf- of de APF-bepalingen.
SYSTEMISCHE LUPUS ERYTHEMATOSUS
Bij
vrijwel alle patiënten met SLE zijn in het serum antistoffen tegen
kernbestanddelen aantoonbaar, de zogenaamde anti-nucleaire antistoffen (ANA)
of anti-nucleaire factoren (ANF).
ANA vormen een heterogene groep van antistoffen die gericht kunnen zijn tegen
verschillende in de celkern voorkomende antigenen. Ze zijn niet specifiek voor
SLE, daar ze ook nog al eens worden gevonden bij andere autoimmuun-ziekten en
bij gezonde personen op oudere leeftijd. Deze ANA worden bepaald met behulp van
de immunofluorescentie techniek (IFT).
Een specifieke, maar minder gevoelige test is de klassieke LE-celtest.
Hiermee worden antistoffen tegen nucleoproteïnen aangetoond. Bij de LE-celtest
volgens Zimmer-Hargraves werken de antistoffen in op de kernen van beschadigde
leukocyten, gevolgd door fagocytose van de met antistoffen beladen kernen door
de nog intact zijnde granulocyten, wat leidt tot de vorming van LE-cellen.
De meest specifieke test voor de diagnostiek van SLE is de bepaling van
antistoffen tegen dubbelstrengs(ds)-DNA (anti-dsDNA). Deze antistoffen
zijn aan te tonen met behulp van de IFT en kwantitatief te bepalen door middel
van radio-immunologische technieken (RIA). De anti-dsDNA bepaling heeft in de
meeste laboratoria de LE-cel test vervangen.
De hoogte van de antistoftiter gaat in het algemeen lang niet altijd samen met
de ernst of de activiteit van de ziekte. Bij de individuele patiënt is het
verloop van de anti-dsDNA titer wel gecorreleerd met klinische symptomen. De
anti-dsDNA titer kan geruime tijd voor het ontstaan van een exacerbatie stijgen
en plotseling snel dalen als de klinische verschijnselen manifest worden.
Het vervolgen van de anti-dsDNA titer in de tijd kan dus een prognostische
waarde hebben, zodat men in een vroeg stadium een exacerbatie kan herkennen. Het
kwantitatief bepalen van anti-dsDNA kan met behulp van de RIA volgens Farr,
waarmee echter alleen hoog-avide antistoffen worden aangetoond. Een tweede RIA
is de zogenaamde PEG-assay (PEG = polyethyleenglycol), waarmee ook laag-avide
antistoffen tegen dsDNA kunnen worden bepaald. Deze laag-avide antistoffen
worden ook gevonden bij patiënten die verdacht worden van SLE, maar die niet
voldoen aan de criteria gesteld door de American Rheumatism Association (ARA-criteria).
Wij hebben de indruk dat bij SLE-patiënten met nefritis nogal eens een
positieve Farr-test wordt gevonden, terwijl bij SLE-patiënten met neurologische
afwijkingen vooral de PEG-assay positief is. De PEG-assay is minder specifiek
dan de Farr-assay, daar deze in tegenstelling tot de Farr-assay ook wel eens
positieve uitslagen geeft bij patiënten met een andere autoimmuunziekte. Naast
antistoffen tegen dsDNA kunnen bij patiënten met SLE ook antistoffen voorkomen,
die gericht zijn tegen andere kernantigenen, bekend als extraheerbare nucleaire
antigenen (ENA). Deze antistoffen zijn tot nu toe met behulp van serologische
technieken en referentiesera gedefinieerd als anti-nucleair ribonucleoproteïne
(anti-nRNP), anti-Sm, anti-SS-A (= anti-Ro) en anti-SS-B (= anti-La). De laatste
jaren is er met biochemische technieken onderzoek gedaan naar de aard en
samenstelling van deze antigenen. Daarbij is gebleken dat anti-Sm specifiek de
eiwitten D1, D2, D3 en BB' herkent in zogenaamde 'small nuclear
ribonucleoprotein particles' (snRNPs). Anti-nRNP, ook wel anti-U1RNP genoemd,
herkent in een subgroep van deze snRNPs (het U1-snRNP) specifiek een 70kD eiwit,
naast (veelal) de eiwitten A en C.
Anti-SS-B is gericht tegen een 50kD eiwit dat 'transient' gebonden is aan
RNA-polymerase III transcripten (7SRNA, 5SRNA, tRNA en Y-RNA). Partikels ('small
cytoplasmic ribonucleoproteins' = scRNPs) opgebouwd uit een Y-RNA molecuul en
het SS-B eiwit bevatten tevens de beide SS-A eiwitten (60kD en 52kD). Ongeveer
30% van de SS-A en SS-B eiwitten is gelocaliseerd in de kern van de cel, hetgeen
de (zwakke) kernfluorescentie van anti-SS-A en anti-SS-B verklaart.
Met behulp van moleculair biologische technieken zijn verschillende
kernantigenen zuiver verkregen zodat we hiermee antistoffen specifiek kunnen
aantonen.
Routinematig worden echter al deze antistoffen nog aangetoond met behulp van
counterimmuno-elektroforese en eventueel zo nodig met de immunoblottechniek.
Antistoffen tegen het Sm-antigeen worden voornamelijk bij SLE en zelden
bij de andere gegeneraliseerde autoimmuunziekten gevonden.
Antistoffen tegen het SS-A antigeen zijn aangetoond bij kinderen geboren
met een congenitaal hartblok. Ook bij de moeders van deze kinderen waren deze
antistoffen aantoonbaar. Klinische verschijnselen van SLE waren bij deze vrouwen
echter vaak afwezig.
Bij gebruik van medicijnen, zoals onder andere procaïnamide, hydralazine en
anti--epileptica, worden nog wel eens ANA, met of zonder klinische
verschijnselen van SLE, gezien. Deze antistoffen zijn dan meestal gericht tegen
de in de celkern voorkomende histonen.
Naast antistofbepalingen kan het bij SLE-patiënten zeer nuttig zijn
complement-onderzoek te doen (zie hoofdstuk 8).
SJOGREN SYNDROOM
Er zijn
twee vormen te onderscheiden:
-een primaire vorm, met alleen verschijnselen van keratoconjunctivitis
sicca en xerostomie;
-een secundaire vorm, waarbij bovengenoemde verschijnselen gepaard gaan
met een andere autoimmuunziekte, meestal is dit RA.
Bij ongeveer 75% van de patiënten met het syndroom van Sjögren (primair en
secundair) worden ANA in het serum gevonden. Ook antistoffen tegen het
cytoplasma van speekselklierafvoergangen kunnen bij deze patiënten voorkomen.
Bij patiënten met het primaire Sjögren syndroom zijn nogal eens antistoffen
aantoonbaar tegen de SS-A- (= Ro) en SS-B- (= La) antigenen. Deze antistoffen
komen veel minder frequent voor bij patiënten met de secundaire vorm. Bij deze
patiënten worden vaak ook reumafactoren gezien.
MCTD (Mixed connective tissue disease)
Bij
patiënten met de zogenaamde MCTD, dat wil zeggen dat er klinische kenmerken
zijn van SLE, sclerodermie, poly-, dermatomyositis en RA, zijn in hoge
frequentie ANA in het serum aantoonbaar. Deze zijn meestal gericht tegen U1
nucleair ribonucleoproteïne (U1RNP = nRNP).
Anti U1RNP-antistoffen kunnen echter ook, weliswaar in veel lagere frequentie,
worden gevonden bij andere gegeneraliseerde autoimmuunziekten.
SCLERODERMIE EN CREST-SYNDROOM
Ook bij
deze patiënten worden dikwijls ANA aangetoond.
Bij patiënten met het CREST-syndroom (Calcinosis, Raynaud fenomeen, Oesofageale
dysfunctie, Sclerodactylie en Teleangiectasieën) worden zeer frequent
antistoffen tegen centromeren gevonden, aantoonbaar met een specifieke IFT en de
immunoblotting methode. Deze antistoffen kunnen ook, maar minder frequent,
voorkomen bij patiënten met sclerodermie, patiënten met het fenomeen van
Raynaud, of patiënten met een 'incompleet' CREST-syndroom.
Bij patiënten met sclerodermie kunnen antistoffen aantoonbaar zijn tegen het in
celkernen voorkomende Scl-70-antigeen (= topo-isomerase 1). Deze antistoffen
zijn te bepalen met een ELISA en zonodig met de immunoblottechniek.
POLYMYOSITIS EN DERMATOMYOSITIS
Polymyositis
en dermatomyositis zijn inflammatoire ziekten van de skeletspieren, die primair
kunnen voorkomen of geassocieerd met symptomen van andere, meestal
gegeneraliseerde autoimmuunziekten, tumoren of infecties. Bij ongeveer 1/3 van
de patiënten zijn ANA aantoonbaar. Deze antistoffen kunnen gericht zijn tegen
het Jo-1 antigeen (= histidyl t-RNA synthetase), die voornamelijk gevonden
worden bij patiënten met polymyositis en interstitiële longafwijkingen. Als de
spierafwijkingen een onderdeel vormen van een andere autoimmuunziekte zijn de
antistoffen gericht tegen een van de andere kernantigenen.
SPECIFICITEIT VAN SEROLOGISCHE TESTS
Percentage positieve uitslagen van antistofbepalingen in sera van diverse patiënten en gezonde personen
|
|
ANF |
LE- |
anti- |
anti- |
anti- |
anti- |
anti- |
anti- |
anti- |
anti- |
|
Systemische Lupus Erythematosus (SLE) |
90 |
45 |
60 |
- |
0 |
20 |
20 |
40 |
15 |
0 |
|
Primair Syndroom van Sjögren |
30 |
- |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
70 |
60 |
- |
|
Secundair Syndroom van Sjögren |
30 |
- |
0 |
- |
0 |
0 |
0 |
15 |
8 |
- |
|
Mixed Connective Tissue Disease (MCTD) |
100 |
20 |
25 |
- |
0 |
100 |
4 |
50 |
0 |
0 |
|
Sclerodermie |
58 |
- |
0 |
10 |
35 |
5 |
1 |
33 |
5 |
0 |
|
CREST-syndroom |
70 |
- |
0 |
77 |
8 |
2 |
0 |
- |
0 |
- |
|
Reumatoïde Artritis (RA, poliklinisch) |
11 |
4 |
0 |
0 |
- |
1 |
5 |
4 |
1 |
0 |
|
Artrose |
0 |
0 |
0 |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
|
Morbus Bechterew |
4 |
0 |
0 |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
|
Gezonde personen |
4 |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
- = niet bekend
Bron: CLB vademecum, 1997
WELKE TEST BIJ WELKE ZIEKTE:
|
Anti-DNA |
SLE |
+++ |
Zeer specifiek, diagnostisch |
IgG-titer geassocieerd met ziekteactiviteit binnen individu. Hoog-avide antistoffen geassocieerd met ernstig ziekteverloop.
|
|
Anti-SS-A |
Sjögren |
+++ |
52 kD SS-A > 60 kD SS-A |
Anti-52 kD SS-A geassocieerd met congenitaal hartblok en neonatale lupus. |
|
SCLE |
+++ |
Redelijk specifiek |
||
|
SLE |
++ |
60 kD SS-A > 52 kD SS-A |
Geassocieerd met fotosensitiviteit en afwezigheid van nierafwijkingen.
|
|
|
Anti-SS-B |
Sjögren |
+++ |
Zeer specifiek |
Soms voorafgaand aan sicca symptomen.
|
|
Anti-(U1)RNP |
MCTD |
++++ |
Zeer specifiek bij hoge titer, diagnostisch |
Vaak is anti-RNP positief ten gevolge van anti-Sm.
|
|
Anti-Sm |
SLE |
+ |
Zeer specifiek, diagnostisch |
|
|
Anti-Scl70 |
Sclerodermie |
+ |
Zeer specifiek |
Zelden bij gelokaliseerde sclerodermie (morphea). Frequent bij systemische sclerodermie, vooral met longcomplicatie.
|
|
Anti-centr. |
Sclerodermie |
+ |
Zeer specifiek, m.n. voor CREST, diagnostisch
|
Komt amper voor bij gelokaliseerde sclerodermie (morphea). |
|
Anti-Jo-1 |
Dermato- / polymyositis
|
+ |
Zeer specifiek, diagnostisch |
Geassocieerd met hoge frequentie interstitiële longziekte. |
|
RF |
RA |
+++ |
Matig specifiek, diagnostisch |
Titer matig geassocieerd met ziekteactiviteit. Hoge titers geassocieerd met extra-articulaire aandoeningen.
|
|
APF |
RA |
++ |
Zeer specifiek |
Geassocieerd met ernstig ziekteverloop in RF negatieve patienten.
|
|
cANCA |
M. Wegener |
++ |
Specifiek indien gericht tegen PR3 |
Titer anti-PR3 geassocieerd met ziekteactiviteit binnen een individu.
|
|
pANCA |
Systemische vasculitis kleinere vaten
|
++ |
Specifiek indien gericht tegen MPO |
Anti-MPO matig geassocieerd met ziekteactiviteit. pANCA komen tevens voor bij IBD, RA, en chronische infecties. |
|
aCL/ß2GPI |
APS |
+++ |
M.n. specifiek indien IgG, en hoge titer, diagnostisch |
CR: IgG of IgM bij herhaling positief met 6 wk interval.
|
|
SLE |
M.n. IgG geassocieerd met hypercoagulabiliteit. |
Bron: NTVD, 2001
31-12-2004 (JRM) - www.huidziekten.nl