ARTRITIS PSORIATICA (PSORIASIS ARTHROPATHICA) home ICD10: L40.5

Artritis psoriatica of psoriasis artropathica is een vorm van seronegatieve (reuma serologie negatief) artritis die voorkomt bij psoriasis. Circa 20% van de patiënten met psoriasis heeft er last van. De meeste hebben eerst psoriasis en later artritis maar het kan ook andersom. Bij aanwezigheid van nagelpsoriasis komt vaker artritis voor, meer dan 80%). Bij artritis psoriatica zijn vooral de gewrichten van de handen en voeten, de knieën, de polsen en de enkels aangedaan. Als psoriaspatiënten tevens last hebben van artitisklachten dan heeft dat consequenties voor de therapie: er moet een middel worden gekozen dat ook de gewrichtsklachten meeneemt, zoals MTX of een TNF-remmer, of er moeten NSAID's of DMARD's worden toegevoegd aan de behandeling.

Artritis psoriatica is een vorm van spondyloartritis. Spondyloartritis is een verzamelnaam voor een groep reumatische aandoeningen met gemeenschappelijke kenmerken. Er is een genetische component, vaak is het HLA-B27 gen aanwezig. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen axiale spondyloartritis (artritis bekken en wervelkolom) en perifere spondyloartritis (armen, benen, handen). Een voorbeeld van axiale spondylartritis is de ziekte van Bechterew (ankyloserende spondylitis). Artritis psoriatica behoort tot de perifere spondyloartritis groep, net als reactieve artritis en de artitis bij inflammatoire damziekten. Naast artritis kunnen ook enthesitis (ontsteking van de pezen of peesaanhechtingen, met name van de achillespees) en uveïtis aanwezig zijn.

Typisch voor psoriasis arthropathica of artritis psoriatica is pijn en zwelling van de gewrichten. Ook is er vaak sprake van stijfheid in de gewrichten, met name in de ochtenduren bij het opstaan. De normale functie van de gewrichten kan zó veranderen dat langere tijd staan of werken met de handen een probleem kan gaan worden. Uiteindelijk kunnen ook permanente, zichtbare afwijkingen aan de gewrichten ontstaan. De klachten zijn vaak niet symmetrisch aanwezig. Andere verschijnselen zijn verdikkingen van de vingers en ook pijn en zwelling bij de peesaanhechtingen. Een algemeen voorkomend verschijnsel bij artritis psoriatica is moeheid. Het verloop van artritis psoriatica is niet te voorspellen. Periodes met klachten en rustige periodes wisselen elkaar af. Er is geen relatie tussen de ernst van de psoriasis en de gewrichtsklachten.

Diagnostiek:
Onderzoek door de reumatoloog. Reumafactor voor de DD met reuma. BSE, CRP. Eventueel HLA-B27. Röntgenfotos (afwijkingen aan de gewrichten van de laatste vingerkootjes, verlies van botweefsel en kraakbeen grenzend aan gewrichtsspleten, vergroeiing van botten in de gewrichtsruimte, botaangroeisels nabij gewrichten, kalkneerslagen bij de aanhechting van de pezen).

Therapie:
De eerste stap is het voorschrijven van ontstekingsremmende pijnstillers (NSAID's, niet steroïde anti-inflammatoire geneesmiddelen) zoals ibuprofen, diclofenac of naproxen.  Indien dit onvoldoende helpt is de volgende stap een DMARD (Disease Modifying Anti-Rheumatic Drugs, zoals sulfasalazine, methotrexaat, leflunomide, azathioprine) of een biological zoals adalimumab (Humira), etanercept (Enbrel), golimumab (Simponi) of infliximab (Remicade, Remsima of Inflectra). Ook prednison kan worden gebruikt in sommige fasen van de behandeling.

R/ Brufen (ibuprofen) tab 200/400/600 mg, bruistablet 600 mg, zetpil à 500 mg (= 400 mg).
Afhankelijk van de ernst van de aandoening en van de klachten 1200-1600 mg per dag in 3-4 doses; bij ernstige gevallen tijdelijk (3-4 weken) verhogen, max. 2400 mg per dag in 4 doses tot de acute fase onder controle is. Tabletten met gereguleerde afgifte: 1600 mg in 1 dosis bij voorkeur in de vroege avond; zo nodig tijdelijk verhogen met 800 mg 's ochtends tot 2400 mg per dag tot de acute fase weer onder controle is. Kinderen > 2 jaar max. 20 mg/kg lichaamsgewicht per dag in 3-4 doses. Of andere NSAID's, zie onder pijnbestrijding.
R/ Celebrex (celecoxib) 2 dd 100 mg. Bij onvoldoende symptoomverlichting de dosering verhogen tot  2 dd 200 mg; indien na 2 weken, toename van het effect uitblijft, de behandeling staken.
R/ Sulfasalazine 2 dd 1000 mg. Dosering langzaam opbouwen, eerste week 1 dd 500, tweede week 2 dd 500 mg, derde week 500 mg 's morgens en 1000 mg 's middags; vierde week 2 dd 1000 mg 's morgens en 's middags. Bij onvoldoende resultaat na 2 maanden eventueel verhogen, tot 3000 mg per dag, hierbij de patiënt nauwkeurig controleren. De maximale dosering is 4000 mg per dag.
R/ MTX (methotrexaat) 7.5 tot 30 mg per week.
R/ Arava (leflunomide) tab 10/20/100 mg. Starten met 1 dd 100 mg gedurende 3 dagen, daarna 1 dd 20 mg.
R/ Imuran (azathioprine) 1-3 mg/kg per dag (1 dd 50-150 mg).
R/ Humira (adalimumab) 40 mg s.c. eenmaal per 2 weken. Bij onvoldoende reactie na 12 weken de behandeling zorgvuldig heroverwegen.
R/ Enbrel (etanercept) 2 x per week 25 mg of 1 x per week 50 mg. Heroverweeg de behandeling als na 12 weken geen klinische respons is bereikt. Kinderen 4-17 jaar 2 x per week 0.4 mg/kg (max 25 mg).
R/ Simponi (golimumab) 50 mg subcutaan 1 x per maand; altijd op dezelfde dag van de maand toedienen. Bij reumatoïde artritis combineren met methotrexaat. Bij patiënten met een lichaamsgewicht > 100 kg bij onvoldoende respons na 3 à 4 doses een verhoging van de dosis overwegen naar 100 mg 1 x per maand. Heroverweeg de behandeling als na 3 à 4 extra doses van 100 mg nog steeds geen therapeutisch effect optreedt.
R/ Remicade (infliximab, anti-TNF-alpha) 5 mg/kg i.v. op week 0, 2 en 6, daarna 8-wekelijks herhalen.


Auteur(s):
dr. Jan R. Mekkes. Dermatoloog, AMC, Amsterdam.

23-04-2017 (JRM) - www.huidziekten.nl W3C-html-4.01-valid



web counter