|
DECUBITUS |
codes 0706.0009 / L89.9 |
Decubitus ontstaat door weefselschade tengevolge van de inwerking van druk- of schuifkrachten. Het treedt op daar waar de druk het hoogst is, op de stuit, de heupen, en de hielen. Zowel een korte hoge belasting als een langdurige lage belasting kunnen druknecrose veroorzaken. Het ontstaat bij patiënten die tijdelijk of blijvend niet in staat zijn de pijn die druk veroorzaakt in een vroeg stadium te voelen (neuropathie, hemiparesen, dwarslaesies, narcose en sedatie) dan wel niet in staat zijn voldoende van houding te veranderen (bedlegerige patiënten, fracturen, paresen). Andere risicofactoren zijn slechte voedingstoestand, diabetes, arterieel vaatlijden, incontinentie en leeftijd. De meeste decubitus ontstaat tijdens narcose op de OK, en op de intensive care.
De ernst wordt ingedeeld in vier graden:
|
1. |
Niet wegdrukbare roodheid van de intacte huid. Verkleuring van de huid, warmte, oedeem en verharding (induratie) zijn andere mogelijke kenmerken. non blanchable erythema |
0707.0001/ L89.1 (graad 1 decubitus) |
||
|
2. |
Oppervlakkig huiddefect van de epidermis, al dan niet met aantasting van de dermis. Het defect manifesteert zich als een blaar of een oppervlakkige ontvelling. partial thickness loss of skin layers (blister, abrasion) |
0707.0002 / L89.2 (graad 2 decubitus) |
||
|
3. |
Huiddefect met schade of necrose van huid en onderhuids weefsel (subcutis). De schade kan zich uitstrekken tot aan het onderliggende bindweefsel (fascie). full thickness loss exposing subcutaneous fat (superficial ulcer) |
0707.0003 / L89.3 (graad 3 decubitus) |
||
|
4. |
Uitgebreide weefselschade of weefselversterf (necrose) van spieren, botweefsel of ondersteunende weefsels, met of zonder schade aan de epidermis en dermis. exposed muscle or bone (deep ulcer or necrosis) |
0707.0004 / L89.4 (graad 4 decubitus) |
Preventie
Bij de preventie van decubitus is het belangrijk in te schatten hoe groot het risico is dat een behaalde patiënt loopt om decubitus te ontwikkelen. Er zijn een aantal te identificeren en te kwantificeren factoren, die de kans op het ontstaan van decubitus vergroten. Deze factoren moeten worden nagegaan bij iedere patiënt en in een risicoscore tot uitdrukking worden gebracht. Op basis van de scorelijst (Bradenscore) kan men aangeven welke maatregelen vereist zijn. Het is ook nuttig om veranderingen te registreren op een wondregistratieformulier.
Huidverzorging en huidbescherming
R/ indifferente therapie (decubituscreme I: licht vettende indifferente crème voor droge huid; decubituscrème II: 20% zinkoxide in decubituscreme I, voor vochtige huid).
Beschermen tegen inwerking van faeces bij incontinentie:
R/ zinkoxidesmeersel FNA of 20% zinkoxide in unguentum leniens FNA; polyurethaanfolie of dun hydrocolloid; barrièrespray of crème.
Beschermen tegen druk (bedreigde hielen, preventief voor ingreep onder narcose, bij graad 1 decubitus):
R/ preventief afplakken met een dik hydrocolloid of een dik schuimverband.
Spoelen van de wond
Fysiologisch zout (0.9% NaCl), mag (In Nederland) ook met kraanwater, mag ook onder de douche (lauw-warm water) worden uitgespoeld.
Er bestaand FNA antiseptische vloeistoffen voor gebruik in wonden (chloorhexidine oplossing 0.02 en 0.1%, en cetrimide 0.5%) maar die dragen weinig bij aan het reduceren van de bacteriegroei in decubitus ulcera.
Wondbehandeling
|
Graad 1. Erytheem. Geen wondbedekkers nodig. Eventueel beschermen tegen de inwerking van faeces of druk met bovengenoemde producten. Het nut van preventief afplakken met dunne folies tegen schuifkrachten is niet aangetoond. |
||
|
Graad 2. Blaar met intact blaardak: kleine blaren intact laten, de huid zelf is de beste wondbedekker, grote met vocht gevulde blaren aanprikken (steriel) en leegzuigen. Dan het gebied vrijleggen en de blaar laten indrogen. De blaar afplakken met een folie of (dun) hydrocolloid kan ook, maar dan moet wel zeker zijn dat dit langere tijd goed blijft zitten. Als het half losraakt of de rand gaat omkrullen dan moet het er weer afgetrokken worden en dan gaat ook het blaardak mee. |
|
|
|
Graad 2. Bij zeer oppervlakkige ontvellingen alleen zinkoxidesmeersel. Bij een oppervlakkige (partial thickness) wond: droog verbinden met hydrofiel verbandgaas, vetgaas (Jelonet) op de wond en zinkoxidesmeersel op de wondranden. Alternatieven zijn afplakken met een semipermeabele wondfolie, of een dun of dik hydrocolloidverband, of een schuimverband (eilandpleister, met kleefrand rondom), of een niet-verklevende samengestelde wondpleister. |
|
|
|
Graad 3. Hiel met droge zwarte necrose: necrose kan blijven zitten, wondbedekkers zijn niet nodig. Na verloop van tijd (weken) valt de zwarte korst er vanzelf af. Necrose wel verwijderen bij ontstekingsverschijnselen (roodheid, pus, stank, exsudaat) of wanneer de zwarte necrose los begint te laten aan de rand. |
||
|
Graad 3. Hiel met deels zwarte necrose, met ontstekingsverschijnselen (stank, pus, exsudaat): necrose verwijderen. Wond verbinden met gazen gedrenkt in EUSOL-paraffine. In een latere fase kunnen producten gebruikt worden die een vochtig wondklimaat creëren (NaCl gazen, hydrogel, hydrofiber, hydroactief verband, alginaten). Als er veel necrose is of veel exsudaat, of ondermijnde wondranden geen occlusieve verbanden gebruiken (exsudaat moet weg kunnen). |
|
|
|
Graad 3. Hiel met rood granulerende wondbodem. Wond verbinden met producten die een vochtig wondklimaat creëren (NaCl gazen over een vetgaas, hydrogel, hydrofiber, hydroactief verband, alginaten, schuimverband, hydrocolloid). Occlusieve verbanden of afsluitende secundaire verbanden (fixatie met folie) kunnen worden toegepast. Kies bij veel exsudaat de sterk absorberende producten (hydrofiber, alginaten, hydroactief verband, schuimverband) |
|
|
|
Graad 3. Stuit met zwarte necrose: necrose verwijderen. Wond verbinden met gazen gedrenkt in hypochlorietoplossing of EUSOL-paraffine. |
|
|
|
Graad 3. Stuit met gele necrose en fibrine. Wond verbinden met producten die een vochtig wondklimaat creëren (NaCl gazen, hydrogel, hydrofiber, hydroactief verband, alginaten, soms kan ook een schuimverband of hydrocolloid worden gebruikt). Kies bij veel exsudaat de sterk absorberende producten (hydrofiber, alginaten, hydroactief verband, schuimverband). Eventueel kunnen met zilver geïmpregneerde absorberende verbanden worden toegepast. |
|
|
|
Graad 3. Stuit met gele wondbodem, deels granulerend. Wond verbinden met producten die een vochtig wondklimaat creëren (NaCl gazen, hydrogel, schuimverband, hydrocolloid; bij veel exsudaat hydrofiber, hydroactief verband of alginaten). Occlusieve verbanden of afsluitende secundaire verbanden (fixatie met folie) kunnen worden toegepast. |
|
|
|
Graad 3. Stuit met rood granulerende wondbodem. Wond verbinden met producten die een vochtig wondklimaat creëren (NaCl gazen over een vetgaas, hydrogel, schuimverband, hydrocolloid; bij veel exsudaat hydrofiber, hydroactief verband of alginaten). Occlusieve verbanden of afsluitende secundaire verbanden (fixatie met folie) kunnen worden toegepast. |
|
|
|
Graad 4. Hiel met zwarte necrose tot op het bot, met ontstekingsverschijnselen (stank, pus, exsudaat): necrose verwijderen. Wond verbinden met gazen gedrenkt in hypochlorietoplossing of EUSOL-paraffine. Geen occlusieve verbanden of afsluitende secundaire verbanden (fixatie met folie) toepassen (exsudaat moet weg kunnen). |
|
|
|
Graad 4. Stuit met zwarte necrose: necrose verwijderen. Wond verbinden met gazen gedrenkt in hypochloriet oplossing of EUSOL-paraffine. |
|
|
|
Graad 4. Stuit met gele necrose: necrose verwijderen. Wond verbinden met gazen gedrenkt in hypochloriet oplossing of EUSOL-paraffine. Als alle necrose is verwijderd en de wond begint te granuleren overschakelen op producten die een vochtig wondklimaat creëren (NaCl gazen, hydrogel, hydrofiber, hydroactief verband, alginaten). |
|
Lokale antiseptische/antibacteriële therapie
R/ chloorhexidine oplossing 1% (gazen gedrenkt in)
R/ betadinejodium oplossing of zalfgazen
R/ azijnzuur 1-3% oplossing (2% is meest gebruikelijk) bij Pseudomonas contaminatie
R/ natriumhypochloriet 0,5% oplossing (Dakin's vloeistof, 0.5% actief chloor)
R/ Eusol-paraffine (natriumhypochloriet oplossing 50 g, witte bijenwas 0.5 g, paraffine 49.5 g), bevat 0.25% actieve chloor.
R/ zilvernitraat 0.5% oplossing
R/ zilvergeïmpregneerde verbanden (Acticoat, Aquacel Ag, etc.)
R/ metronidazol 1% in carbomeerwatergel FNA
R/ Flammazine crème (ook effectief tegen Pseudomonas)
Bij algemene ziekteverschijnselen of ernstige lokale symptomen van wondinfectie hebben gerichte
antibiotica de voorkeur.
Referenties
|
1. |
CBO herziene consensus decubitus 2002. Deze decubitus richtlijn (PDF bestand) en samenvattingskaart is te downloaden van www.cbo.nl. |
Websites
Decubitus Stichting Oost Zuid Limburg
Producenten decubitus bedden en materialen
20-03-2010 (JRM) - www.huidziekten.nl