HYPERCOAGULABILITEIT (Verhoogde stollingsneiging)

codes geen / geen

 

Door verbeterde laboratoriumdiagnostiek is ontdekt dat bij een aantal aandoeningen een verhoogde stollingsneiging (hypercoagulabiliteit) een rol speelt. Een bekend voorbeeld is het trombosebeen, waarbij naast oorzaken als zwangerschap of immobiliteit bij een steeds groter wordend percentage patiënten erfelijke of verkregen stollingsafwijkingen die predisponeren tot trombose worden ontdekt, zoals het antifosfolipiden syndroom, deficiëntie van antithrombine III, proteïne C of proteïne S, of abnormale stollings factoren (Factor V Leiden, Factor II mutant).

 

Risicofactoren voor trombose

Factor V- Leiden

3.5-10% 

protrombine G20210A

2%

proteïne S-deficiëntie

0.7%

proteïne C-deficiëntie

0.2-0.4%

antitrombine III deficiëntie

0.02%

homocysteinurie

1:100.000

factor XIII deficiëntie (o.a. bij colitis ulcerosa)

?

antifosfolipiden syndroom 

? (lupus anticoagulans, anticardiolipine)

gestoorde fibrinolyse

 

Minder goed bekend is dat hypercoagulabiliteit ook verantwoordelijk kan zijn voor purpura racemosa (livedo reticularis), acrale thrombi (acrale purpura, ischemie, blauw verkleurde tenen), en pijnlijke zwartnecrotische ulcera (vaak in combinatie met een inflammatoire component, b.v. vasculitis). Daarnaast zijn er wat zeldzamere aandoeningen zoals de ziekte van Sneddon en de ziekte van Degos waarbij een stollingsneiging vermoed wordt.

 

Ulcera door hypercoagulabiliteit

Een beruchte combinatie is die van vasculitis en hypercoagulabiliteit, waarbij uitgebreide zwart-necrotische ulcera kunnen ontstaan. De behandeling daarvan bestaat uit immunosuppressiva (meestal prednison) en antistolling met in de acute fase heparine i.v. of fraxiparine i.m. (eventueel ook thuis te continueren), gevolgd door orale antistolling met Sintrom (acenocoumarol). In een latere fase kunnen andere medicaties zoals Ascal, Plavix, of Trental worden uitgeprobeerd, maar het is niet zeker of die effectief zijn. 

De frequentie van stollingsstoornissen bij ulcera met zwarte necrose is zo hoog dat screenen op hypercoagulabiliteit zinvol is in de volgende situaties:

- ulcera op basis van vasculitis

- ulcera bij patienten met een systeemziekte

- pyoderma gangrenosum

- ulcera veroorzaakt door de beta hemolytische streptococ

- ulcera bij patienten met thrombo-embolien in de voorgeschiedenis

- pijnlijke ulcera zonder goede verklaring en zonder genezingstendens.

 

 

Labonderzoek

Functietests zoals de APTT (Activated Partial Thromboplastin Time), PTT (Protrombine tijd), dRVTT (dilute Russel Viper Venom Test), KCT (Kaolin Clotting Time). 

MOCHA's (Markers of Coagulation and Hemostasis Activation): protrombine factor 1.2, TAT complexen, fibrine, D-Dimeren

Trombinetijd

Antitrombine

Factor VIII (een licht verhoogde factor VIII wordt vaak gevonden bij ontstekingen, een waarde > 3 x normaal is wel relevant)

CRP (ontsteking)

Factor V (Leiden) mutatie (506R- 506Q)

Factor II (protrombine) mutatie (20210G- 20210A)

Proteïne C en proteïne S

Lupus anti-coagulans

anti-cardiolipine

anti-protrombine

anti-beta2glycoproteine

Factor II VII IX XI

fibrinogeen 

PAI-1

TPA (Tissue Plasminogeen Activator)

lipoproteine A

homocysteine

 

 

Factor V- Leiden ( 506R - 506Q )
Bij geringe beschadigingen van de vaatwand (bijvoorbeeld zoals die bij een vasculitis optreden) wordt de bloedstolling geïnitieerd, protrombine wordt omgezet in trombine, trombine activeert factor V en VII, en daarna komt de zich zelf amplificerende stollingscascade op gang. Dit proces wordt geremd en gereguleerd door antitrombine III maar op lokaal niveau ook door trombomoduline, dat aanwezig is op het oppervlak van endotheelcellen en trombine bindt. Het trombine-trombomoduline complex activeert proteïne C. En geactiveerd proteïne C (APC) en proteïne S inactiveren vervolgens weer factor Va en VIIa door deze op specifieke plaatsen te knippen. Op een van deze knipplaatsen op factor V is een puntmutatie bekend waardoor een afwijkende factor V circuleert (Factor V-Leiden) die resistent is tegen APC. Een heterozygote factor V-Leiden verhoogt de kans op trombose 5 tot 10 maal. De factor V-mutatie komt in Europa zo'n 10 tot 15 maal vaker voor dan proteïne C- of proteïne S-deficiëntie, en wordt verhoogd aangetroffen in de populatie patiënten met doorgemaakte trombose voor het 40e levensjaar, en patiënten met chronische veneuze insufficiëntie.

Antifosfolipiden syndroom
Het antifosfolipiden syndroom is zeldzaam. Het wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van een heterogene groep circulerende antistoffen gericht tegen fosfolipiden. De aanwezigheid van antifosfolipiden is geassocieerd met veneuze en/of arteriële trombose, trombocytopenie, en habituele abortus. Daarnaast kunnen vele huidafwijkingen optreden die allemaal zijn terug te voeren op vaatocclusie, zoals ulcera, livedo reticularis, acrocyanose, Raynaud, capillaritis en tromboflebitis.
De belangrijkste twee antifosfolipiden zijn het lupus anticoagulans (LA) en de anticardiolipine antistoffen (ACA). ACA's zijn verantwoordelijk voor de valspositieve VDRL bij patiënten met systeemziekten zoals bijvoorbeeld SLE. Dat komt omdat het antigeen mengsel van de VDRL test bestaat uit cardiolipine, fosfatidylchloride, en cholesterol. Bij aanwezigheid van het lupus anticoagulans is de PTT (protrombine tijd) en de APTT (activated partial tromboplastin time) vaak verlengd, vandaar de verwarrende naam anticoagulans, maar er is een verhoogde kans op trombose. Zestig procent van de patiënten met LA heeft SLE.
Antifosfolipiden kunnen zonder betekenis gevonden worden bij gezonde mensen, maar inmiddels is er een groot aantal onderliggende aandoeningen bekend waarbij antifosfolipiden circuleren: immuunziekten (SLE, auto-immune trombocytic purpura en hemolytische anemie, RA, Sjögren syndroom, giant cell arteritis, dermatomyositis, m. Behçet, polyarteritis nodosa), maligniteiten waaronder lymfomen, hematologische ziekten (myelofibrosis, ziekte van von Willebrand, paraproteinemie), infectieziekten (lues, lepra, tuberculose, mycoplasma, borreliose, HIV, endocarditis, hepatitis e.a. virusinfecties), neurologische aandoeningen (Sneddon syndroom, myasthenia gravis, multiple sclerose), en bij een aantal geneesmiddelen.
De behandeling van het antifosfolipiden syndroom bestaat uit conventionele antistolling therapie. Uiteraard alleen indien er klinische verschijnselen zijn die dit rechtvaardigen, zoals trombose. Daarnaast moet er onderzoek worden verricht naar onderliggende aandoeningen. 

 

 

Referenties

1.

Mekkes JR, Loots MA, Van Der Wal AC, Bos JD. Causes, investigation and treatment of leg ulceration. Br J Dermatol 2003;148:388-401.

 

 

 

 

 

31-12-2006 (JRM) -  www.huidziekten.nl