HYPERHIDROSIS (OVERMATIG ZWETEN) home ICD10: R61.9

Hyperhidrosis betekent toegenomen zweetproductie. Dat kan zijn lokale hyperhidrosis (oksels, handen, voeten) of gegeneraliseerde hyperhidrosis. Zweten is fysiologisch als reactie bij stress, angst, angststoornissen, inspanning, warme omgeving (temperatuurregeling), oververhitting. Verhoogde zweetproductie over het gehele lichaam berust op een dysfunctie van het autonome systeem en kan een onderliggende endocriene of metabole oorzaak hebben. Hyperhidrosis treedt ook op secundair aan catecholamine release bij shock, syncope, anafylactische reacties, hypoglycemie en pheochromocytoma. Verder bij koorts, angst/stress, adipositas, hyperthyreoidie, endocrinologische stoornissen waaronder diabetes, acromegalie, hyperpituitarisme, bij Hodgkin e.a. myeloproliferatieve aandoeningen (o.a. CTCL. leukemie), tuberculose, malaria, endocarditis, hartinfarct, sarcoïdose, alcoholmisbruik, roken, methadongebruik, medicatie (o.a. SSRI's (kan ook samenhangen met depressie zelf), tricyclische antidepressiva, analgetica, NSAID's, clomifeen, interferon, bromocryptine, sympathicomimetica, parasymphaticomimetica, metoprolol en andere betablokkers), menopauze (+ flushes), neurologische aandoeningen, en het zeldzame cold-induced sweating syndroom. Zweet aanvallen worden ook sporadisch gezien bij erytrodermische vormen atopisch eczeem waarbij de temperatuurregulatie verstoord is.

De kans op een onderliggende afwijking is vooral aanwezig bij nieuw ontstane hyperhidrosis, op oudere leeftijd. Bij lokale hyperhidrosis die sinds de jeugd aanwezig is bij een verder gezond iemand is het niet nodig om te screenen op endocrinologische afwijkingen.

Gelokaliseerde hyperhidrose: zie hyperhidrosis axillaris, circumscripta, palmaris, plantaris, en bromhidrosis.

Therapie:
Onderliggende oorzaken opsporen en aanpakken. Bij angststoornissen deze behandelen (psychotherapie, anxiolytica, sedativa). Er zijn systemische medicaties die soms enig effect hebben bij hyperhidrosis zoals oxybutinine, clonidine, clonazepam, propanolol. Al deze middelen hebben bijwerkingen en zijn niet geregistreerd voor deze indicatie.
R/ Oxybutinine 3 dd 2.5 mg, zonodig tot 3 dd 5 mg.
R/ clonidine 2 dd 0.1 mg (hoge dosis, veel bijwerkingen).
R/ clonazepam 2 dd 0.5-1 mg
R/ propanolol  2-3 dd 1 tablet à 40 mg.
R/ Glycopyrronium (glycopyrrolate) 3 dd 2 mg.
R/ Akineton (biperideen) 2-4 mg dd bij methadon-geïnduceerd zweten.

Bij lokale hyperhidrosis (zweetoksels, zweethanden, zweetvoeten) zijn de opties goede deodorants proberen, aluminiumpreparaten, iontoforese, botox, miraDry (oksels), laparoscopische sympathectomie, excisie zweetklieren of subcutane curettage vanuit een incisie (oksels).


patientenfolder


Referenties
1. Delaunay L, Herail T, Sessler DI, Lienhart A, Bonnet F. Clonidine increases the sweating threshold, but does not reduce the gain of sweating. Anesthesia Analgesia 1996;83:844-848.
2. Brandrup F, Larsen PO. Axillary hyperhidrosis: local treatment with aluminum chloride hexahydrate 25% in absolute ethanol. Acta Derm Venereol 1978;58(5):461-465.
3. Naumann M. Evidence-based medicine: botulinum toxin in focal hyperhidrosis. J Neurol 2001;248 S1:31-33.
4. Sega-Hall GM, Smith P, Haworth AE. A case of isolated axillary hyperhidrosis successfully treated topically with 1% glycopyrronium cream. Clin Exp Dermatol 2006;31(6):825.
5. Jacob C. Treatment of hyperhidrosis with microwave technology. Semin Cutan Med Surg 2013;32:2-8. PDF
6. V. Everdingen JJE. Hoe behandelt men hyperhidrosis? Vademecum (permanente nascholing huisartsen) 1991;9:nr. 22 
7. Goh CL. Aluminiumchloride hexahydrate versus palmar hyperhidrosis. Int J Dermatol 1990;29:368-370.
8. Midtgaard K. A new device for the treatment of hyperhidrosis by iontophoresis. Br J Dermatol 1986;114:458-488.


Auteur(s):
dr. Jan R. Mekkes. Dermatoloog, AMC, Amsterdam.

10-08-2015 (JRM) - www.huidziekten.nl W3C-html-4.01-valid



web counter