HYPEREOSINOFIELE DERMATITIS home ICD10: D72.1

Hypereosinofiele dermatitis wordt beschouwd als een aparte entiteit binnen het spectrum van het hypereosinofiele syndroom. Het is voor het eerst in 1981 door Nir en Westfried beschreven als een gegeneraliseerde polymorfe jeukende dermatose geassocieerd met eosinofilie in het bloed en in de huid. Het klinisch beeld bestaat uit jeukende erythemateuze tot bruine maculae, papels en noduli over de romp en ledematen met uitsparing van het hoofd, de glans penis, de handpalmen en voetzolen. In tegenstelling tot het hypereosinofiele syndroom zijn geen orgaan systemen aangedaan. Er is wel sprake van een eosinofilie in het bloed tot 20% in de leukocyten differentiatie en met totale eosinofielen tot 3000/mm3. De ziekte heeft een chronisch beloop met periodes van exacerbaties door het optreden van nieuwe laesies. In sommige gevallen is progressie tot een hypereosinofiele syndroom beschreven. Het histopathologisch beeld kenmerkt zich door oppervlakkige en diepe perivasculaire en periadnexale lymfohistiocytaire infiltraten met vele eosinofielen. Differentieel diagnostisch moet aan alle internistische en dermatologische ziektebeelden gedacht worden welke zich manifesteren met eosinofilie in het bloed- en/of in de huid.

Hypereosinofiel syndroom Hypereosinofiel syndroom
hypereosinofiele dermatitis hypereosinofiele dermatitis


DD: prurigo parasitaria, toxicodermie, hypereosinofiel syndroom, eosinofiele folliculitis, prurigo nodularis, PLEVA. Zie ook onder eosinofilie.

Therapie:
In de behandeling worden corticosteroïden lokaal danwel systemisch gebruikt. Er zijn casussen beschreven waar dapson met succes werd gebruikt. Ook PUVA therapie is toegepast. Bij het systemische hypereosinofiel syndroom wordt o.a. imatinib gebruikt.

R/ Lokale corticosteroïden.
R/ Prednison 1 dd 20-40 mg.
R/ PUVA of UVA1 therapie.
R/ Dapson.


Referenties
1. Nir MA, Westfried M. Hypereosinophilic dermatitis. A distinct manifestation of the hypereosinophilic syndrome with response to dapsone. Dermatologica 1981;162:444-450.
2. Oppolzer G, Duschet P, Schwarz T et al. Hypereosinophilic dermatitis (Nir-Westfried). A variant in the spectrum of the hypereosinophilia syndrome. Z Hautkr 1988 Feb 15;63(2):123-125.
3. Barna M, Kemeny L, Dobozy A. Skin lesions as the only manifestation of the hypereosinophilic syndrome. Br J Dermatol 1997;136:646-647.
4. Jacyk WK, Simson IW, Slater DN et al. Pachydermatous eosinophilic dermatitis.Br J Dermatol 1996;134(3):469-474.
5. Alfaham MA, Ferguson SD, Sihra B, Davies J. The idiopathic hypereosinophilic syndrome. Arch Dis Child 1987;62:601-613.
6. Offidani A, Bernardini ML, Simonetti O et al. Hypereosinophilic dermatosis: skin lesions as the only manifestations of the idiopathic hypereosinophilic syndrome? Br J Dermatol 2000;143:675-677.
7. Brito-Babapulle F. The eosinophilias, including the hypereosinophilic syndrome. Br J Haematol 2003;121:203-223.
8. Eberlein A, Kobyletzki G, Gruss C et al. Erfolgreiche Monotherapie der hypereosinophilen Dermatitis mit PUVA-Bad-Photochemotherapie. Hautarzt 1997;48:820-823.
9. Plötz SG, Abeck D, Seitzer U et al. UVA1 for hypereosinophilic syndrome. Acta Derm Venerol 2000;80:221.
10. Cortes J, Ault P, Koller C et al. Efficacy of imatinib mesylate in the treatment of idiopathic hypereosinophilic syndrome. Blood 2003;101:4714-4716.


Auteur(s):
dr. Jan R. Mekkes. Dermatoloog, AMC, Amsterdam.
Biljana Zupan-Kajcovski. Dermatoloog, Huid- en Melanoom Centrum Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam.

31-12-2009 (JRM / BZK) - www.huidziekten.nl W3C-html-4.01-valid



web counter