IMMUNOFLUORESCENTIE MICROSCOPIE (IF) home ICD10: n.v.t.

Immunofluorescentie microscopie (IF) is een techniek waarbij fluorescerende kleurstoffen worden gebruikt die oplichten als ze worden bestraald met licht van een kortere golflengte. Deze kleurstoffen worden gebonden aan kunstmatig geproduceerde antistoffen (vaak opgewekt in muizen of ratten) die gericht zijn tegen eiwitten van de mens. Een oplossing van deze gelabelde antistoffen wordt aangebracht op een coupe. De antistoffen binden aan het eiwit waartegen ze gericht zijn, bijvoorbeeld immunoglobuline G (IgG). Niet-gebonden antistoffen worden weggewassen. Vervolgens wordt de coupe onder de immunofluorescentie microscoop bekeken met blauw licht. De gelabelde antistoffen lichten felgroen op (ook andere kleuren zijn beschikbaar) waardoor precies te zien zijn waar de eiwitten zich bevinden. Dit wordt directe immunofluorescentie genoemd.

Immunofluorescentie microscopie (IF) Immunofluorescentie microscopie (IF) Lupus band
IF microscopie IF microscoop lupusband

De techniek van de directe IF werd ontwikkeld in 1963 door Burnham, die aantoonde dat er in de huidafwijkingen bij SLE patiënten diverse verschillende immunoglobulinen en complementfactoren aanwezing zijn langs de basale membraan; hij introduceerde ook het begrip lupusband. Prof Cormane, hoogleraar dermatologie aan de UVA van Amsterdam ontdekte dat bij SLE patiënten ook in de gezonde, niet-laesionale huid antistoffen langs de basaalmembraan aanwezig zijn en publiceerde dat in de Lancet in 1964.
Principe van directe en indirecte immunofluorescentieImmunofluorescentie microscopie kan ook worden gebruikt om auto-antistoffen in het bloed van patiënten aan te tonen, bijvoorbeeld ANA (anti-nuclear antibodies) bij SLE. Serum van de patiënt wordt aangebracht op gezond weefsel (van mens of dier, kunnen ook gekweekte epitheelcellen zijn). De auto-antistoffen binden aan onderdelen van de celkern. Niet-gebonden antistoffen worden weggewassen. Kunstmatig geproduceerde antistoffen gericht tegen menselijk immunoglobuline, en gelabeld met een fluorescente kleurstof, worden gebruikt om de auto-antistoffen te detecteren. Deze techniek wordt indirecte immunofluorescentie genoemd. Met verdunningsreeksen kan ook de titer (hoeveelheid antistoffen) worden bepaald.

In de loop der jaren werd ontdekt dat de IF techniek niet alleen bij SLE en LE kon worden gebruikt, maar bij vele andere dermatosen zoals blaarziekten, m. Sjögren, MCTD, vasculitis, urticariële vasculitis, erythema nodosum, dermatitis herpetiformis, lineaire IgA dermatose, m. Henoch-Schönlein, IgA vasculitis en nefritis, porfyria cutanea tarda, en erythropoiëtische protoporfyrie (EPP).

Afnemen van een biopt voor IF
Een biopt voor immunofluorescentiediagnostiek (3 of 4 mm, voorkeur voor 4 mm) moet het liefst direct naar het PA-lab worden gebracht of verzonden. Om uitdroging te voorkomen kan het in een container op een gaasje worden gelegd met fysiologisch zout. Het kan ook in een container gevuld met fysiologisch zout worden gedaan en blijft dan zeker 24 uur goed (ook voor verzending naar een extern lab). Een op vrijdagavond afgenomen IF biopt, bewaard in NaCl in de koelkast (niet in het vriesvak) kan ook nog gewoon op maandag worden verwerkt.
Het maakt uit waar het biopt is afgenomen. Bij dermatitis herpetiformis bijvoorbeeld liefst van gezonde (bij voorkeur perilaesionale) huid, waarbij de strekzijde van de elleboog de beste plek is. In de laesionale huid kan IgA ontbreken door afbraak door neutrofiele granulocyten. Bij SLE e.a. bindweefselziekten (SCLE, CREST, MCTD, dermatomyositis, sclerodermie) met huidafwijkingen een laesionaal biopt het liefst afnemen van een huidafwijking gelokaliseerd in een zon-geëxposeerd gebied. De beste plek om de lupus band aan te tonen in non-laesionale huid is de aan zon blootgestelde dorsale zijde van de onderarm. Bij blaarziekten zoals pemphigus en pemphigoid (parapemphigus) het biopt voor HE (formaline) afnemen uit de rand van de blaar, uit het erytheem, met een mm blaar er in. Het biopt voor IF afnemen direct naast de blaar of direct naast de erythemateuze rand met eventueel een mm erytheem er in. Bij pemphigoid van het oog laesionaal van de conjunctiva, niet-laesionaal van de binnenzijde van de bovenarm. Bij pemphigoid van het mondslijmvlies laesionaal van het wangslijmvlies, niet-laesionaal van de binnenzijde van de bovenarm. Bij lichen planus, lichen amyloidosis, granuloma eosinofilicum faciale en porfyria cutanea tarda uit de rand van de laesie. Bij erosieve lichen planus perilaesionaal, 1-2 cm naast de laesie. Bij erosieve laesies van de mondholte met in de dd chronisch ulceratieve stomatitis heeft het zin om specifiek SES-ANA aan te vragen. In zijn algemeenheid niet biopteren uit erosies, excoriaties of ulceraties. Behandeling met lokale of systemische (> 40 mg) corticosteroïden kan een IF fout-negatief maken.

Wat aan te vragen?
Meestal volstaat het vermelden van de differentiële diagnose plus het verzoek om IF te doen. Meestal kijkt de patholoog naar IgG, IgA, IgM, complement (C3) en fibrine. IgG deposities worden o.a. aangetroffen bij pemphigoïd, cicatricieel pemphigoïd, pemphigus, epidermolysis bullosa acquisita, granuloma eosinophilicum faciale, SLE, CDLE (soms), sclerodermie, Sjögren syndroom en mixed connective tissue disease (MCTD). IgA deposities bij dermatis herpetiformis, lineaire IgA dermatose, epidermolysis acquisita, erythema elevatum diutinum, Henoch-Schönlein, IgA vasculitis nno en IgA nefritis. IgM deposities bij SLE en CDLE. Complement C3 bij herpes gestationis, leukocytoclastische vasculitis, urticariële vasculitis, granuloma eosinophilicum faciale, erythema nodosum, erythema elevatum diutinum, dermatitis herpetiformis, dermatomyositis, chilblain lupus. Fibrine bij leukocytoclastische vasculitis, granuloma eosinophilicum faciale, necrobiosis lipoidica, purpura pigmentosa progressiva, lichen planus, erythema nodosum.

Fluorescentie patroon
De lokalisatie in de coupe en soms ook het immunofluorescentiepatroon (lineair, granulair, fibrillair) kunnen de diagnose bepalen. Bij bulleus pemphigoid, lineaire IgA dermatose en epidermolysis bullosa acquisata zijn de antistoffen gericht tegen de epidermale basaalmembraanzone (EBMZ) en in een lineair patroon. Bij pemphigus vulgaris tegen de intercellulaire substantie (ICS). Bij porphyria cutanea tarda (PCT) zijn er IgG deposities rond de vaten. Bij dermatitis herpetiformis en soms bij rosacea zijn er granulaire deposities in de EBMZ. Bij SLE zijn diverse patronen mogelijk, meestal homogeen langs de EBMZ. Bij lichen planus soms deposities in een fibrillair patroon langs de EBMZ. Deposities in het bindweefsel kunnen worden gezien bij granuloma annulare, necrobiosis lipoïdica, e.a. granulomateuze afwijkingen. Perivasculaire patronen bij vasculitis, SLE, erythema nodosum, granuloma faciale, graft-versus-host disease en porfyrie. Perivasculair IgA bij m. Henoch-Schönlein, purpura pigmentosa progressiva, en IgA vasculitis en nefritis.

Bulleus pemphigoid Immunofluorescentie bij pemphigus vulgaris Lupus band
EBMZ (pemphigoïd) ICS (pemphigus) vaten (PCT)


Splijtingsniveau bij blaarziekten
Bij blaarziekten kan immunofluorescentie worden gebruikt om het splijtingsniveau vast te stellen door met IF te kijken naar keratine en type IV collageen. Zijn beide aanwezig in de blaarbodem dan gaat het om een oppervlakkige blaarvorming (intra-epidermale spliting, epidermolytische splijting). Is keratine aanwezig in het blaardak en type IV collageen in de blaarbodem dan gaat het om junctional (lucidolytische) splijting. Zijn beide aanwezig in het blaardak dan gaat het om dystrofische (dermolytische) splijting. Een andere techniek is de salt split skin: door het preparaat in 1.0 M NaCl te leggen ontstaat een junctionale splijting precies door de lamina lucida. IgG / complement in het blaardak past bij bulleus pemphigoïd, IgG / complement in de blaarbodem past bij andere blaarziekten, zoals epidermolysis bullosa acquisata, anti-epiligrine cicatricieel pemphigoïd of bulla bij SLE.

Zie ook:
- diagnostiek bij blaarziekten
- diagnostiek bij auto-immuunziekten


Referenties
1. Burnham TK, Neblett TR, Fine G. The application of  fluorescent antibody technic to the investigation of lupus erythematosus and various dermatoses. J Invest Dermatol 1963;41:451-456.
2. Cormane RH. ‘Bound’ globulin in the skin of patients with chronic discoid lupus erythematosus and systemic lupus erythematosus. Lancet 1964;i:534-535.
3. Sharafbayani H, de Jong MCJM, Jonkman MF. Betekenis van immunofluorescentie van de huid bij de diagnostiek van bulleuze auto-immuunziekten. Ned Tijdschr Allergie 2004;6:223-229. PDF


Auteur(s):
dr. Jan R. Mekkes. Dermatoloog, AMC, Amsterdam.

10-08-2015 (JRM) - www.huidziekten.nl W3C-html-4.01-valid



web counter