INCONTINENTIA PIGMENTI (BLOCH-SULZBERGER)

codes 0757.3302 / Q82.3

 

Zeldzame genodermatose (OMIM 308300), voor het eerst beschreven door Garrod in 1906. In 1926 heeft Bloch het ziektebeeld weer beschreven en 2 jaar later schreef Sulzberger ook over incontinentia pigmenti. In 2000 werden er 2 vormen onderscheiden, IP1, de zeldzaam optredende vorm en IP2, de 'klassieke ' overerfbare vorm, ook werd toen bij de klassieke vorm het NEMO gen aangetoond.
 

Etiologie
IP1: translocatie op het X chromosoom, alleen de pigmentafwijkingen.
IP2: X-linked, dominante overervend syndroom, waarbij de huid is aangedaan en er soms sprake is van betrokkenheid van de ogen, zenuwstelsel en skelet. Deze zien we bij mutaties in het NEMO gen. 95% is vrouw. In principe lethaal voor jongens. Jongens die overleven hebben soms Klinefelter of mosaicismen van het X chromosoom, waardoor de helft van de cellen dan niet is aangedaan.

 

Pathogenese
Aandoening waarbij inflammatie optreedt, met name van de keratinocyten, erna treedt postinflammatoire hyperpigmentatie op door melanocyten. Later is er mogelijk sprake van destructie van cellen met het gemuteerde X chromosoom. Deze worden vervangen door gezonde cellen en dit geeft mogelijk atrofie. Het NEMO gen activeert NF kappaB dat beschermt tegen TNF alpha geïnduceerde apotose. Dit gen is aangedaan en zorgt voor mindere bescherming.

 

Kliniek
De huidlaesies verlopen volgens de Blaschko lijnen. Er zijn 4 stadia, die gelijktijdig aanwezig kunnen zijn:
I vesiculobulleuze stadium: kan in utero optreden, maar meestal in de eerste 2 maanden. Lineire of gegroepeerde vesikels, vooral op bil, flanken, extremiteiten, deze laesies drogen op, worden soms noduli of plaques binnen dagen tot een paar weken. Verdwijnen spontaan.
II verruceuze stadium: dit zijn de laesies na opdroging. Tussen 2e en 6e week.
III gehyperpigmenteerde stadium: treedt daarna op. Blauw-grijze verkleuring, soms ook op plekken die niet eerder opvielen. Ook wel vergeleken met Chinese tekens. Kunnen levenslang blijven
IV gehypopigmenteerde/atrofische stadium: Vanaf de tienerjaren kunnen de plekken gehypopigmenteerd worden en verliezen aldaar de mogelijkheid te zweten. Soms dystrofie van de nagels en een verlittekenende alopecia.

 

Overige symptomen
Tanden: missende tanden, kegelvormige tanden
Oogafwijkingen: 30 % van de patiënten: o.a. blindheid, opticusatrofie, afwijkende retina, cataract, pseudoglioma, uveïtis, strabismus
Zenuwstelsel: 25% van de gevallen: mentale retardatie, microcephalie, ataxie, epilepsie, di- en tetraplegie
Botten: schedel en palatum afwijkingen, scoliosis.

 

Laboratoriumbepalingen
Vaak eosinofilie. Vast te stellen met hand diff van 1 druppel: eosinofilie (tot 50%).

Overig aanvullend onderzoek
Bloedonderzoek, waarmee bepaling van het NEMO gen wordt gedaan (te Groningen). Labformulier te downloaden via AMC site, danwel via Klinische genetica.

 

Pathologie
Vroege stadium (I): eosinofiele spongiose en dyskeratotische keratinocyten. Stadium II: epidermis acanthotisch verbreed en hyperkeratose met focaal dyskeratose. Stadium III: pigmentincontinentie en veel melanofagen in de dermis. Stadium IV: dunne epidermis en verlies adnexen.
 

DD:
Stadium 1: infectieuze oorzaak VZV, HSV, dermatitis herpetiformis, pemphigus, epidermolysis bullosa

Stadium 2: ILVEN (inflammatoire liniaire verruceuze epidermale naevus)
Stadium 3: Linear and whorled nevoid hypermelanosis, lineaire epidermale naevus, lineaire lichen planus, lichenoide drug eruption
Stadium 4: nevus depigmentosus van Ito, segmentele vitiligo, lineaire epidermale nevus, lichen striatus 

Onderscheiding met linear and whorled hypermelanosis (LWNH) en met nevus depigmentosus van Ito: geen voorafgaande inflammatie. Chromosomaal mosaicisme. Bij IP stadium 3 veel meer dermale hyperpigmentatie dan bij LWNH
 

Behandeling
Geen. Counseling. Eventuele niet huidgerelateerde aandoeningen, zoals oogafwijkingen kunnen wel goed behandeld worden.

 

 

 

 

 

25-02-2007 (MIA) -  www.huidziekten.nl