|
KAPOSI SARCOOM (door HIV infectie) |
codes 0042.2006 / B21.0 |
Kaposi sarcoom (sarcoma idiopathicum multiplex haemorrhagicum) werd voor het eerst beschreven door de Hongaarse dermatoloog Moritz Kaposi in 1872. Hij beschreef het klassieke niet HIV-geassocieerde type. Tegenwoordig wordt het Kaposi sarcoom vooral gezien bij HIV patiënten waarbij HAART nog niet gestart is of niet plaatsvindt. Het Kaposi sarcoom wordt beschouwd als een laaggradig maligne vasculaire tumor. Het is een spoelceltumor, waarschijnlijk van endotheliale origine. Het is controversieel of Kaposi sarcoom een neoplasie of een hyperplasie betreft. Klinisch beeld varieert van minimale mucocutane tot uitgebreide viscerale betrokkenheid. Bij gedissemineerde ziekte, is het onduidelijk of het metastasen of multifoci betreffen.
Aetiologie:
Humaan herpesvirus 8 (HHV-8) induceert Kaposi sarcoom waarschijnlijk. HHV-8
wordt via speeksel overgebracht.
Indeling:
Indeling in 4 groepen:
1. Klassieke type: zeldzame, langzaam progressieve laesies, meestal pretibiaal
of op de voeten, m.n. bij oudere mannen van Mediterrane of Joodse afkomst. Man
: vrouw = 10-15 : 1. Leeftijd: 50-70 jaar. Tot 30% ontwikkelt een tweede
neoplasie (meestal non-Hodgkin lymfoom).
2. Endemische of Afrikaanse type: meest voorkomend in equatoriaal Afrika.
Gelijke incidentie onder mannen en vrouwen. Leeftijd: 35-40 jaar. Niet
geassocieerd met immuundeficiënties. Kent fataal beloop.
3. Immuungecompromitteerden: Patiënten met orgaantransplantatie en
immuunsuppressie (bij congenitale immuundeficiëntie: geen verhoogde kans op
kaposi sarcoom). Klinisch vergelijkbaar met klassieke type. Het is ook mogelijk
dat HHV-8 besmetting plaatsvindt via het donororgaan. Veelal in remissie na
verminderen of staken van immuunsuppressie.
4. AIDS-gerelateerd: Meest voorkomende en meest agressieve vorm van kaposi
sarcoom. Met name bij AIDS-patiënten met een laag aantal CD4-cellen. Na de
introductie van HAART is de morbiditeit en de mortaliteit significant verminderd
a.g.v. immuunrestoratie.
Klinisch
beeld:
Een of meer niet jeukende, niet pijnlijke huidafwijkingen, meestal op de
onderste extremiteiten, gelaat (neus), mondholte (tot 30%) en genitaliën,
bestaande uit ovale, erythemateuze maculae, papels en plaques tot paars - zwarte
nodi en tumoren variërend van enkele mm tot enkele cm in doorsnede. Soms
verlopend volgens de lijnen van Blaschko. Soms constrictieve plaques t.p.v. de
extremiteiten waardoor lymfoedeem. Kan overal op de huid voorkomen. Soms
ontstaat het in plaatsen die blootgesteld zijn aan een mild trauma (Köbner
fenomeen). Organen
kunnen ook aangedaan zijn, m.n. gastrointestinaal (in 40% van de patiënten),
lymfeklieren en longen.
|
Kaposi sarcoom |
Kaposi sarcoom |
Kaposi sarcoom |
Kaposi sarcoom |
Histologie:
Histologisch beeld varieert nauwelijks tussen de verschillende subtypen. De
histologie is wel afhankelijk van het ziektestadium.
'Patch' stadium: proliferatie van kleine vaten in de oppervlakkige dermis met
een mild infiltraat, bestaande uit lymfocyten en plasmacellen.
'Plaque' stadium: vasculaire proliferatie tot in de diepe dermis en soms de
subcutis. Spoelcellen (met expressie van endotheelmarkers) nemen de plaats van
het dermale collageen in. Karakteristiek: tussen de spoelcellen ontstaan 'slit-like'
ruimten, gevuld met erytrocyten.
Meestal afwezigheid van atypie, mitosen en pleiomorfisme; komt soms voor in late
stadia.
Aanvullende
diagnostiek:
Screening voor interne betrokkenheid: alléén bij klachten.
- Faeces onderzoeken op occult bloed. Indien afwijkingen ' endoscopie.
- X-thorax. Indien afwijkingen ' bronchoscopie
DD:
'Patch' stadium: purpura, hematoom, angiosarcoom, haemagioom, dermatofibroom.
Nodulaire stadium: veneuze en lymfatische malformaties, cutane metastasen,
leukemie/lymfomen, bacillaire angiomatosis, kaposiform hemangioendothelioma,
spoelcel hemangioom en angiosarcoom, cutane polyarteritis nodosa en erythema
elevatum diutinum.
Therapie:
Hoog recidief percentage. Doel behandeling: symptoombestrijding, preventie van
ziekteprogressie, tumorkrimp tegen oedeem. Bij immunocompetente patiënten met
een stabiel beeld is behandeling niet noodzakelijk, kaposi sarcoom is namelijk
zelden fataal. Immuungecompromitteerden (transplantatiepatienten): dosering
verlagen van de immuunsuppressieve medicatie, zonder orgaanafstoting te
induceren.
1. Lokale behandeling:
Cryotherapie
R/ Intralesionale injectie met vinblastine 0.2-0.3 mg/ml, 0.2 ml/cm2. Ampul van 10 mg oplossen in 10 mg solvens. Deze stock-oplossing van 1 mg/ml kan onverdund of verdund (tot 1:10) worden ingespoten. De geadviseerde sterkte wisselt sterk in de verschillende richtlijnen. In Emedicine en Duitse protocollen wordt 0.1-0.2 mg/cm2 geadviseerd (maximum dosis). Dit zonodig eens per 2-4 weken herhalen. Om deze sterkte te halen moet de oplossing van 1 mg/ml onverdund worden ingespoten (het volume is dan 0.1-0.2 ml per cm2). Uit ervaringen opgedaan in de beginperiode van de AIDS epidemie blijkt dat een 1:5 verdunning (0.2 mg/ml) ook effectief is. Ook Amerikaanse richtlijnen gaan uit van een oplossing van 0.2-0.3 mg/ml. Voor het goed infiltreren van een laesie van 1 cm2 is een volume van 0.1-0.2 ml nodig. Een groter volume inspuiten is fysiek ook niet mogelijk. Verdunnen kan met lidocaïne, maar het is zeer dubieus of dat uitmaakt voor de pijn. De pijn wordt veroorzaakt tijdens het inspuiten, en daarvoor werkt lidocaïne te traag, en er ontstaat pijn door celverval en een ontstekingsreactie, met name de eerste 2 dagen, en dan is lidocaïne al weer uitgewerkt.
Radiotherapie,
chirurgie, lasertherapie (CO2-laser), camouflage.
2. Systemische behandeling bij uitgebreide of snel progressieve huidlaesies,
symptomatische orgaanbetrokkenheid, lymfoedeem of IRIS.
R/ AIDS-gerelateerd:
start HAART.
R/
Chemotherapie (vb vincristine, doxorubicine, daunorubicine, bleomycine,
anthracycline).
R/ Interferon-alfa.
R/ Antivirale therapie (anti-HHV-8) lijkt veelbelovend.
Referenties
|
1. |
UpToDate - AIDS-related Kaposi's sarcoma: Clinical features and treatment. Versie 16.8, oktober 2008. |
|
2. |
Bolognia |
|
3. |
|
|
4. |
Schwartz RA, Micali G, Nasca MR, Scuderi L. Kaposi sarcoma: a continuing conundrum. J Am Acad Dermatol 2008;59(2):179-206. |
|
5. |
Schöfer H, Brockmeyer N. Deutsche Leitlinie: Kaposi-Sarkom. DKG 2005. |
|
KAPOSI SARCOOM, KLASSIEKE VORM (niet door HIV-infectie) |
codes 0173.9002 / C46.0 |
20-06-2009 (NVM) - www.huidziekten.nl