LYMPHADENOSIS CUTIS BENIGNA (PSEUDOLYMPHOMA CUTIS) home ICD10: L98.81

Lymphadenosis cutis benigna is een reactieve benigne lymfocytaire proliferatie, een cutaan B-cel pseudolymfoom. Het staat onder vele synoniemen bekend zoals lymphocytoma cutis benigna, lymfocytoom, pseudolymfoom, ziekte van Bäfverstedt, Spiegler Fendt sarcoid. Het wordt meestal door een infectie getriggerd. Een veel voorkomende oorzaak (circa 30%) is een Borrelia infectie (overgebracht door de Europese teek Ixodes ricinus, zie onder Borrelia lymfocytoom). Als Borrelia is aangetoond noemt men het een Borrelia lymfocytoom, en anders een pseudolymfoom. Pseudolymfomen kunnen ook ontstaan als reactie op insectensteken, tatouages, vaccinaties, trauma, piercings, acupunctuur, behandeling met bloedzuigers, metalen (goud, aluminium), siliconen, en contactallergenen. Het is niet altijd duidelijk wat de oorzaak is. Het cutane pseudolymfoom is goedaardig en gaat vaak vanzelf weer over.

Pseudolymfoom Pseudolymfoom Pseudolymfoom
pseudolymfoom (B-cel) pseudolymfoom (B-cel) pseudolymfoom (B-cel)

Pseudolymfoom Pseudolymfoom Pseudolymfoom
pseudolymfoom (B-cel) pseudolymfoom (B-cel) pseudolymfoom (B-cel)

Pseudolymfoom Pseudolymfoom Pseudolymfoom
pseudolymfoom (B-cel) pseudolymfoom (B-cel) pseudolymfoom (B-cel)

Klinisch beeld:
Pseudolymfomen van het B-cel type zijn meestal solitaire rode of blauwpaarse noduli, papels of plaques, een tot enkele cm groot. Pseudolymfomen zitten meestal (70%) in het gelaat, bijvoorbeeld op de neus, of in de oorlel (Borrelial lymfocytoom), of in de nek. Soms op de borst (tepel, areola), onder de oksels, op de armen, scrotum, zelden op de benen. Ze ontstaan in een langzaam tempo, in enkele weken.

DD:
Borrelia lymfocytoom, granuloma annulare, lymfomatoïde papulosis, lymphocytic infiltration of the skin (Jessner), lymfomen, cutaan T-cel en cutaan B-cel lymfoom, primair cutaan follikel centrum cel lymfoom, Merkelcelcarcinoom, metastase, leukemia cutis, angiolymfoïde hyperplasie met eosinofilie, lues II, lupus panniculitis, persistant insect bite, sarcoidose, lupus erythematodes tumidus, eosinofiel granuloom (granuloma faciale), cutane tuberculose.

Diagnostiek:
Biopt (HE, immunohistochemische kleuringen, fenotypering van het infiltraat, op indicatie clonaliteitsonderzoek (T-cel receptor DNA-rearrangement)). Borrelia serologie bij solitaire B-cel pseudolymfomen. Anamnese: vragen naar tekenbeten, insectensteken, infecties, trauma, geneesmiddelen gebruik.

PA:
Het kan moeilijk zijn een pseudolymfoom van een lymfoom te onderscheiden. Vaak is het klinisch beeld er bij nodig om het onderscheid te maken. Een B-cel pseudolymfoom kan lijken op een follicular center lymphoma.

Therapie:
Behandelen van onderliggende infecties zoals Borrelia.
R/ Doxycycline 1 dd 200 mg gedurende 10 dagen, amoxycilline 3 dd 500 mg gedurende 14 dagen, of azitromycine 1 dd 500 mg gedurende 5 dagen bij Lyme borreliose.
R/ Andere antbiotica (blinde behandeling gericht op infectie): Augmentin 3 dd 625 mg, Klacid 1 dd 500 mg, penicilline 3 dd 500 mg gedurende 2-3 weken.
R/ Plaquenil (hydroxychloroquine) 1-2 dd 200 mg.
R/ Locale corticosteroïden (Dermovate crème of zalf).
R/ Intralesionale corticosteroïden (Kenacort A10 onverdund).
R/ Cryotherapie.
R/ Excisie.
R/ Radiotherapie.
R/ Protopic (tacrolimus).
R/ Aldara (imiquimod).
R/ PDT (photodynamische therapie).
R/ Q-switched Nd:YAG 532-nm laser (bij tatouage-induced pseudolymfomen).

Referenties
1. Bäfverstedt B. Über Lymphadenosis benigna cutis. Eine klinische und pathologisch anatomische Studie. Acta Derm Venereol 1943;23:201-202.
2. Cerroni L et al. Specific cutaneous infiltrates of B-cell chronic lymphocytic leukemia (B-CLL) at sites typical for Borrelia burgdorferi infection. J Cutan Pathol 2002;29:142-147.
3. Stanek G, Strle F. Lyme borreliosis. Lancet 2003;362:1639-1647.
4. Bergman R. Pseudolymphoma and cutaneous lymphoma: facts and controversies. Clin Dermatol 2010;28(5):568-574.
5. Maubec E, Pinquier L, Viguier M, Caux F, Amsler E, Aractingi S, Chafi H, Janin A, Cayuela JM, Dubertret L, Authier FJ, Bachelez H. Vaccination-induced cutaneous pseudolymphoma. J Am Acad Dermatol 2005;52(4):623-629.
6. Kazandjieva J, Tsankov N. Tattoos: dermatological complications. Clin Dermatol 2007;25(4):375-382.
7. Braun RP, French LE, Feldmann R, Chavaz P, Saurat JH. Cutaneous pseudolymphoma, lymphomatoid contact dermatitis type, as an unusual cause of symmetrical upper eyelid nodules. Br J Dermatol 2000;143(2):411-414.
8. El-Dars LD, Statham BN, Blackford S, Williams N. Lymphocytoma cutis treated with topical tacrolimus. Clin Exp Dermatol 2005;30(3):305-307.
9. Baumgartner-Nielsen J, Lorentzen H. Imiquimod 5%: a successful treatment for pseudolymphoma. Acta Derm Venereol 2014;94(4):469.
10. Mikasa K, Watanabe D, Kondo C, Tamada Y, Matsumoto Y. Topical 5-aminolevulinic acid-based photodynamic therapy for the treatment of a patient with cutaneous pseudolymphoma. J Am Acad Dermatol 2005;53(5):911-912.
11. Lucinda TS, Hazel OH, Joyce LS, Hon CS. Successful Treatment of Tattoo-Induced Pseudolymphoma with Sequential Ablative Fractional Resurfacing Followed by Q-Switched Nd: YAG 532 nm Laser. J Cutan Aesthet Surg 2013;6(4):226-228.


Auteur(s):
dr. Jan R. Mekkes. Dermatoloog, AMC, Amsterdam.

26-06-2015 (JRM) - www.huidziekten.nl W3C-html-4.01-valid



web counter