MONONUCLEOSIS INFECTIOSA home ICD10: B27.9

Mononucleosis infectiosa (ziekte van Pfeiffer, kissing disease) wordt veroorzaakt door het Epstein-Barr-virus (EBV). Dit virus (humaan herpesvirus 4 of HHV4) is ook betrokken bij het ontstaan van zeldzame vormen van kanker zoals het Burkitt-lymfoom en neus- en keelkanker. Meer ziekten, ook huidziekten worden in verband gebracht met EBV infecties maar de bewijsvoering is moeilijk, omdat een groot deel van de populatie (> 90% van de volwassenen) in aanraking is geweest met het virus en antilichamen heeft ontwikkeld. Met specifieke serologische testen of PCR technieken is wel vast te stellen of het gaat om een recente of een oude infectie.

Klinisch beeld:
Ongeveer de helft van de kinderen onder de 5 jaar heeft een EBV infectie doorlopen. Meestal verloopt de infectie asymptomatisch of als een milde virale infectie die niet opvalt binnen de reeks aan maculopapuleuze infectieziekten die kinderen kunnen oplopen. Infecties op latere leeftijd bij tieners en adolescenten kunnen ernstiger symptomen veroorzaken zoals extreme moeheid, koorts, keelpijn en lymfadenopathie. Dit wordt de ziekte van Pfeiffer genoemd (mononucleosis infectiosa). De ziekte van Pfeiffer begint met malaise, dan koorts, keelpijn en lymfadenopathie, vooral in de hals. De moeheid is vooral in de eerste 2-3 weken opvallend, maar kan weken tot maanden aanhouden. Soms worden sporters getroffen door Pfeiffer, met als gevolg een verloren seizoen. Ook schoolprestaties kunnen er onder lijden. De milt en de lever zijn meestal vergroot. Er kan een exantheem ontstaan. Sommige antibiotica zoals ampicilline en amoxicilline kunnen specifiek bij mononucleosis infectiosa infectie een hevige rash veroorzaken. Vroeger ontstonden ook complicaties bij gebruik van acetylsalicylzuur om de koorts te dempen (syndroom van Reye), tegenwoordig wordt paracetamol gebruikt waarbij dit niet optreedt. Andere zeer zeldzame complicaties zijn epileptische insulten, neuritis, encefalitis, meningitis, en miltruptuur.

Diagnostiek:
Voor de diagnostiek naar EBV infecties zijn meerdere bepalingen beschikbaar. Bij een Epstein-Barr virus infectie worden in het serum achtereenvolgens VCA IgM antistoffen, VCA IgG antistoffen en EBNA IgG antistoffen aantoonbaar. Voor het aantonen van een recente EBV infectie (primo-infectie) worden bepaald: EBV VCA-IgM, EBV VCA-IgG en EBV NA-IgG in serum. Eventueel kan ook het EBV EA IgG en de heterofiele antistoffen (Monosticon) bepaald worden. De Monosticon kan als citobepaling aangevraagd worden, maar de sensitiviteit en specificiteit van de heterofiele antistoffen bepaling is lager dan de sensitiviteit en specificiteit van de specifieke EBV ELISA’s. De Monosticon wordt daarom altijd vervolgd met de ELISA’s voor EBV VCA-IgM, EBV VCA-IgG en EBV NA-IgG. Voor het aantonen van een immuunstatus volstaat het bepalen van EBV VCA-IgG en EBV NA-IgG. Een EBV reactivatie wordt aangetoond door het bepalen van de EBV viral load in bloed of liquor (EBV DNA bepaling (PCR) in bloed of weefsel).

Therapie:
Er bestaat geen antivirale therapie. Patiënten met mononucleosis infectiosa moeten rustig uitzieken en wachten op spontaan herstel. Zware lichamelijke belasting en topsport vermijden gedurende 2 maanden. De koorts kan worden bestreden met paracetamol (geen acetylsalicylzuur). Geen amoxicilline voorschrijven.


Auteur(s):
dr. Jan R. Mekkes. Dermatoloog, AMC, Amsterdam.

01-07-2017 (JRM) - www.huidziekten.nl W3C-html-4.01-valid



web counter