MUCOCELE EN RANULA (Speekselkliercyste)

codes 0527.6002 / K11.61

 

Er bestaan verschillende varianten van speekselkliercysten

- mucocele

- oral ranula

- cervicale of 'plunging' ranula

 

Een mucocele is een slijmcyste of speekselkliercyste. Een mucocele wordt het meest gezien op de onderlip, maar kan in principe overal in de mondholte waar speekselklieren zitten voorkomen. De prevalentie is circa 0.02% (volwassenen) tot 0.04% (kinderen). Een mucocele ontstaat door dat de afvoergang van een speekselklier geblokkeerd raakt door een trauma of na een ontsteking. Het slijm hoopt zich op en er ontstaat een cyste. De meeste mucoceles (circa 90%) zijn pseudocysten (niet bekleed met een epitheel laag). Indien de cyste wel begrensd is door epitheel (dit blijkt pas als er histologisch onderzoek is gedaan) dan spreekt men van mucus retention cyst.

 

Een ranula is ook een mucocele, maar dan van de wondbodem. Een ranula van de wondbodem is een pseudocyste uitgaande van de grote speekselklieren (salivary glands) op de wondbodem, de glandula sublingualis en glandula submandibularis, en ontstaat door afsluiting van de afvoergangen van deze speekselklieren (Rivini duct en Wharton duct) door een trauma of obstructie. Het speeksel (mucus) hoopt zich op in de weefsels van de mondbodem en wordt als lichaamsvreemde stof afgekapseld door een wand van bind- en/of granulatieweefsel. Klinisch ziet men een blauw doorschemerende, cysteuze zwelling van de mondbodem, lijkend op de onderbuik van een kikker (in het Latijn: rana), vandaar de naam ranula.
Soms kan een ranula zich door de mylohyoïdeus van de mondbodem uitbreiden tot in de hals, wat dan resulteert in een ‘cervicale ranula’, ook ‘plunging’ of ‘diving’ ranula. Er ontstaat een deegachtig aanvoelende, slecht afgrensbare zwelling in de hals, niet pijnlijk en zonder verandering in grootte bij eten, kauwen en slikken. Men vindt de ranula vooral in het submandibulaire of submentale gebied, maar uitbreiding tot veel lager in de hals kan ook, zelfs naar de parafaryngeale ruimte en in de richting van de schedelbasis. Een cervicale ranula wordt vaak (45%) voorafgegaan door een eerdere behandeling voor een intraorale ranula.

 

Klinisch beeld:

Blauwig, transparant doorschemerende, pijnloze, weke bolvormige zwelling van enkele millimeters tot 1.5 centimeter groot. Meestal op de onderlip (75%), of mondbodem, onderkant tong, of de wang. Kan in korte tijd (3-6 weken) ontstaan. Soms is er een voorgeschiedenis met trauma, beschadiging van de lip, of ontsteking (lichen planus, geneesmiddelenreacties, TEN, blaarziekten, GVHD), of bijten op de lip (velletjes lostrekken), maar het kan ook spontaan ontstaan. De cysten kunnen spontaan ruptureren en chronisch recidiveren. 

 

 

mucocele onderlip

mucocele onderlip

mucocele onderlip

mucocele onderlip

 

 

ranula mondbodem

ranula mondbodem

mucocele op het verhemelte

 

 

DD mucocele: hemangioom, venous lake, dermoid cyste, granuloma pyogenicum, lymfangioma, lipoom, pemphigus, pemphigoid, bulleuze lichen panus, herspes simplex labialis, benigne of maligne speekselkliertumor, cystic hygroma.

DD cervicale ranula: schildklierafwijking, hematoom, lipoom, laryngocele, dermoidcyste, thyroglossal duct cyste, branchial cleft cyste, cystic hygroma, lymfadenopathie door infecties, tumor nno.

 

Diagnostiek:

Een mucocele is vaak klinisch al duidelijk, soms wordt een biopt afgenomen en komt muceus visceuze gelige inhoud vrij, waarna de diagnose duidelijk is.

Een orale ranula kan worden gepuncteerd. Hierbij verkrijgt men een taai gelig aspiraat, rijk aan eiwitten en histiocyten samen met een sterk verhoogde amylaseactiviteit. Verder is beeldvormend onderzoek nodig (CT- en MRI-scan): karakteristiek ziet men een cysteuze massa in de submandibulaire ruimte, met een uitloper naar de sublinguale ruimte (het zogeheten ‘tail sign’). Een MRI-scan kan differentiëren tussen een cervicale ranula en andere cysteuze massa’s in de mondbodem of de suprahyoïdale regio.

 

 

cervicale of 'plunging' ranula

plunging ranula

CT-scan cervicale ranula

 

 

PA:

Histologisch ziet men een goedafgegrensde cyste, zonder epitheliale bekleding (pseudocyste), gevuld met mucine. De wand bestaat uit granulatieweefsel met fibroblasten, vaatproliferatie, en een ontstekingsinfiltraat met o.a. macrofagen (muciphagen). Bij een mucus retention cyst ziet men een echte wandbekleding,

bestaande uit cuboidale of columnale mucosa cellen, omgeven door bindweefsel, met minder inflammatie, en zonder muciphagen.

 

Therapie mucocele:

Excisie van de mucocele. Prepareer de kwetsbare cyste voorzichtig uit en probeer ook de onderliggende speekelklieren mee te nemen.

Openen met een kleine biopteur (2-3 mm) en exprimeren van de inhoud. Hierbij wordt de diagnose duidelijk omdat de visceuze inhoud vrijkomt.

     In een deel van de gevallen is na biopteren het probleem opgelost. De cyste kan echter recidiveren omdat er resten achtergebleven zijn.

Elektrocoagulatie bij kleinere cysten.

Soms gaan mucoceles vanzelf over, vooral bij kinderen. Daarom kan een expectatief beleid of alleen ledigen met dikke naald of sneetje ook een optie zijn.

 

Therapie bij intraorale ranula en cervicale ranula:

Excisie van de glandula sublingualis, gevolgd door orale drainage.

Dit is een ingreep die wordt uitgevoerd door de KNO-arts, kaakchirurg of hoofdhals chirurg met ervaring in dit gebied. Een mogelijke complicatie is beschadiging van de N. lingualis. Omdat een cystewand ontbreekt zijn marsupialisatie en pogingen tot extraorale excisie zinloos.

 

 

Video: chirurgische excisie van een mucocele op de onderlip:

 

 

 

Patientenfolder

 

 

 

 

 

14-02-2010 (JRM) -  www.huidziekten.nl