PRURIGO home ICD10: L28.21

Onder prurigo wordt doorgaans verstaan een huidafwijking gekenmerkt door de aanwezigheid van (sterk) jeukende papels, papulovesikels, urticariële papels, of persisterende noduli en nodi. Daarnaast zijn in wisselende mate krabeffecten aanwezig: excoriaties, erosies, ulceraties, crustae, littekens, en lichenificatie. Secundaire infectie kan optreden. Er zijn verschillende indelingen in gebruik, zoals prurigo parasitaria en non-parasitaria; prurigo acuta, subacuta en chronica; en prurigo infantum, prurigo adultorum en prurigo senilis. Deze indelingen bevorderen het overzicht echter niet.

Prurigo infantum oftewel strophulus is een acute uitbarsting van sterk jeukende seropapeltjes, vaak omgeven door een erythemateuze hof, op romp en extremiteiten. In het centrum kan zich ook een vesikel of bulla vormen (strophulus bullosa). Het erytheem verdwijnt binnen enkele uren, maar er persisteert een jeukende, geïndureerde en vaak geëxcorieerde papel. Het wordt vooral gezien bij kinderen tussen 2 en 8 jaar, en vooral in de zomer en herfst. Het kan bij één aanval blijven, maar ook recidiverend of chronisch verlopen. Hoewel absolute zekerheid ontbreekt, is de meest waarschijnlijke oorzaak een overgevoeligheidsreactie op insektenbeten (mijten, vlooien, steekvliegjes, muggen). Daarnaast wordt door sommigen gedacht aan voedingsallergieën. Het is bekend dat bij voedingsallergie een acute papuleuze of papulovesiculeuze eruptie kan ontstaan. Deze reactie is echter vluchtig van aard, strophulus niet.

Bij prurigo subacuta ontstaan hevig jeukende 1-5 mm grote papels met centraal induratie of vesikelvorming, vooral op de strekzijde van de bovenarmen, de bovenbenen, de rug, en de borst. De lesies worden snel opengekrabd en laten atrofische gehyperpigmenteerde littekens achter. Prurigo chronica wordt gekenmerkt door persisterende hevig jeukende papels en noduli, vaak geëxcorieerd, soms met hyperkeratose en lichenificatie.

Als oorzaken van subacute en chronische prurigo worden vrijwel dezelfde afwijkingen genoemd als bij pruritus sine materia. Het is daarom waarschijnlijk dat bij sommige vormen van pruritis op den duur (door krabben of spontaan) prurigopapels of noduli ontstaan. Bij prurigo nodularis van Hyde ontstaan multipele solide noduli van 0.5 tot 3 cm grootte, meestal op de strekzijden van de extremiteiten, die extreem jeuken en zeer therapieresistent zijn. De etiologie is duister. Vele therapievormen worden met wisselend succes geprobeerd, waaronder sterke steroïden (eventueel in combinatie met teer), zonodig onder occlusie of intralesionaal, verder cryotherapie, coagulatie of excisie van grote noduli, zachte röntgenstralen, PUVA-therapie, afdekken met zinklijmverband, antihistaminica, pimozide, en thalidomide. De term Prurigo simplex (parasitaria) wordt gebruikt voor prurigo papels en noduli t.g.v. epizoönosen. Prurigo Besnier is een vorm van constitutioneel eczeem waarbij (tijdelijk) jeukende noduli en papels het beeld domineren. Prurigo circumscripta (lichen simplex chronicus) wordt gekenmerkt door hevige jeuk in een omschreven gebied, met bepaalde voorkeurslokalisaties (nek, strekzijde onderarmen en scheenbenen, binnenkant dij, sacraal, perianaal, scrotum, vulva), waarbij ten gevolge van krabben een sterk gelichenificeerde lesie ontstaat. Lichen simplex chronicus wordt doorgaans met sterke steroïden behandeld, zonodig onder occlusie.

Zie verder onder:
- pruritus
- anti-pruriginosa
- prurigo nodularis
- picker's nodule
- lichen simplex chronicus
- prurigo Besnier


patientenfolder


Auteur(s):
dr. Jan R. Mekkes. Dermatoloog, AMC, Amsterdam.

04-11-2012 (JRM) - www.huidziekten.nl W3C-html-4.01-valid



web counter