PACHYONYCHIA CONGENITA (Jadassohn-Lewandowsky) home ICD10: Q84.5

Pachyonychia congenita is een zeldzame (circa 450 gevallen beschreven) genodermatose met als belangrijkste kenmerk nageldystrofie en focale palmoplantaire keratoderma (keratoderma palmoplantaris). De oorzaak van pachyonychia congenita is een autosomaal dominante mutatie in de genen voor keratinen. Bij type 1 betreft het keratine 6A (KRT6A) en keratine 16 (KRT16), en bij type 2 keratine 6B en 17.

Pachyonychia congenita Pachyonychia congenita
pachyonychia congenita pachyonychia congenita

Pachyonychia congenita Pachyonychia congenita Leukoplakie bij pachyonychia congenita
keratoderma keratoderma leukoplakie


Er worden verschillende subtypen onderscheiden:
1. pachyonychia congenita type 1 (Jadassohn-Lewandowsky type, OMIM 167200)
2. pachyonychia congenita type 2 (Jackson-Lawler type, OMIM 167210)
Bij type 2 horen neonatale dentitie (natal teeth), steatocystomen en pili torti. Sommige auteurs onderscheiden nog varianten aangeduid met type 3 en 4 en een variant die pas op latere leeftijd manifest wordt (pachyonychia congenita tarda). De aandoening komt bij mannen en vrouwen even vaak voor. De afwijkingen kunnen hinder veroorzaken en cosmetisch storend zijn, de levensverwachting is normaal.

Pachyonychia congenita type 1 (Jadassohn-Lewandowski syndrome)
Deze variant komt het meest voor. Het belangrijkste en frequentste symptoom is hypertrofie en dystrofie (pachyonychia) van alle 20 nagels. De nagels zijn vanaf de geboorte al afwijkend, maar in het begin kan het subtiel zijn. De nagels kunnen een normale lengte hebben maar zijn te dik, vooral distaal, bruin of grijs verkleurd en hebben een ruw oppervlak. Het is cosmetisch storend, kan problemen geven met fijne motoriek en klusjes waarbij de nagels nodig zijn, en er kan secundaire infectie (paronychia) optreden. Soms is er ook hyperhidrosis palmoplantaris, en er kunnen blaren ontstaan.
De focale palmoplantaire keratoderma begint op de latere kinderleeftijd samenhangend met lopen, is symmetrisch, zit vooral op de drukplaatsen, en is pijnlijk. De pijnlijke voetzolen zijn de meest storende en hinderlijke klacht bij pachyonychia congenita.
Vaak zijn er ook witte plaques in de mondholte (leukokeratose, leukoplakie), vooral op de tong en het wangslijmvlies, en er kunnen afwijkingen in de larynx zijn met als klacht heesheid. Soms ontstaan epidermale inclusiecysten, vooral in de liezen en oksels. Aan de extremiteiten, vooral op knieën en ellebogen kan folliculaire hyperkeratose (keratosis pilaris) aanwezig zijn.

Pachyonychia congenita type 2 (Jackson-Lawler syndrome)
Deze variant lijkt op type 1 maar de afwijkingen zijn milder en extra symptomen zijn natal teeth, steatocystomen, en pili torti. De neonatale dentitie is vanaf de geboorte aanwezig of ontstaat in de eerste maand. Dit is niet een exclusief verschijnsel, komt vaker voor. Verder zijn er talloze steatocystomen en andere cysteuze afwijkingen. Pili torti (twisted hair, gedraaide haren) is een zeldzaam verschijnsel. Pili torti worden ook gezien bij het Menkes syndroom.

Natal teeth (tanden bij de geboorte) Pili torti (gedraaide haren) Pili torti (gedraaide haren)
natal teeth pili torti pili torti


DD:
Nagelafwijkingen: mycose, 20-nail dystrofie, overige nagelafwijkingen. Palmoplantaire keratoderma: meerdere syndromen, zie DD keratoderma palmoplantaris. Orale afwijkingen: candida, leukoplakie, white sponge nevus (naevus spongiosus albus mucosae).

Therapie:
Symptoombestrijding. Speciale schoenen, inlegzolen, orthopedische schoenen, zonodig rolstoel. Te zware belasting en trauma voorkomen. Pijnstilling. Nagels regelmatig vijlen, zelf of door de pedicure. Eventueel verweken met ureum of salicylzuurzalven. Hyperhidrosis behandelen met aluminiumzouten of botox. Retinoïden kunnen een positief effect hebben op de hyperkeratose. Cysten kunnen chirurgisch verwijderd worden.

Referenties
1. Muller C. On the causes of congenital onychogryphosis. Mcn Med Wochenschr 1904;49:2180-2182.
2. Lucker GP, Steijlen PM. Pachyonychia congenita tarda. Clin Exp Dermatol 1995;20(3):226-229.
3. Munro CS. Pachyonychia congenita: mutations and clinical presentations. Br J Dermatol 2001;144(5):929-930.
4. Terrinoni A, Smith FJ, Didona B, et al. Novel and recurrent mutations in the genes encoding keratins K6a, K16 and K17 in 13 cases of pachyonychia congenita. J Invest Dermatol 2001;117(6):1391-1396.
5. Liao H, Sayers JM, Wilson NJ, Irvine AD, Mellerio JE, Baselga E. A spectrum of mutations in keratins K6a, K16 and K17 causing pachyonychia congenita. J Dermatol Sci 2007;48(3):199-205.
6. Tidman MJ, Wells RS. Control of plantar blisters in pachyonychia congenita with topical aluminium chloride. Br J Dermatol 1988;118(3):451-452.
7. Swartling C, Vahlquist A. Treatment of pachyonychia congenita with plantar injections of botulinum toxin. Br J Dermatol 2006;154(4):763-765.


Auteur(s):
dr. Jan R. Mekkes. Dermatoloog, AMC, Amsterdam.

20-12-2015 (JRM) - www.huidziekten.nl W3C-html-4.01-valid



web counter