PENIS CARCINOOM home ICD10: D07.4

Een peniscarcinoom is meestal een plaveiselcelcarcinoom van de penis. Net als op andere genitale locaties (VIN, CIN, AIN) worden voorstadia en in-situ varianten van een peniscarcinoom ook wel aangeduid met PIN (penile intraepithelial neoplasia). Maar er zijn ook eigennamen aan verbonden zoals morbus Queyrat, morbus Bowen, Bowenoïde papulose, etc. Een belangrijke oorzaak van peniscarcinoom is blootstelling aan HPV (Humaan Papilloma Virus) in de vorm van sexueel overdraagbare condylomata acuminata. Het hebben van veel onbeschermde contacten, homoseksuele contacten en HIV vormen een risicofactor voor het krijgen van peniscarcinoom. Besnijdenis reduceert het risico, waarschijnlijk omdat door de besnijdenis het epitheel van de glans dikker wordt en meer bescherming biedt tegen infectie. Phimosis is juist een risicofactor. Verder wordt het gezien bij chronische inflammatoire aandoeningen zoals lichen planus, lichen sclerosus en na radiotherapie. Op de penis kunnen ook andere carcinoom voorkomen, zoals adenocarcinomen of extramammaire morbus Paget.

Penile intraepithelial neoplasia Peniscarcinoom
PIN penistumor


Therapie:
De behandeling is afhankelijk van de grootte, de diepte, en van de histologie (dus altijd een biopt afnemen). In situ varianten kunnen worden behandeld met conservatieve methoden zoals cryotherapie of electrocoagulatie. Invasieve plaveiselcelcarcinomen worden behandeld met chirurgie conform de richtlijn plaveiselcelcarcinoom (zie verder onder plaveiselcelcarcinoom). Bij grote carcinomen, die nog wel eens gezien worden door patient delay (schaamte) valt er soms niet aan te ontkomen om (een deel van) de penis te amputeren. Penisamputaties, partiele penisamputaties en andere majeure oncologische operaties aan de penis en/of het scrotum worden worden uitgevoerd door de uroloog, soms in samenwerking met een plastisch chirurg.


Auteur(s):
dr. Jan R. Mekkes. Dermatoloog, AMC, Amsterdam.

20-06-2014 (JRM) - www.huidziekten.nl W3C-html-4.01-valid



web counter