|
Het
plaveiselcelcarcinoom is na het basaalcelcarcinoom de meest voorkomende
vorm van huidkanker en de incidentie neemt gestaag toe. De incidentie bedraagt
circa 20/100.000 per jaar en circa 1:15 Nederlanders ontwikkelt een
plaveiselcelcarcinoom voor het 85ste levensjaar. De totale incidentie in
Nederland is circa 15.000 per jaar en stijgt met circa 2,3% per jaar.
Het komt vaker voor bij blanken (verhouding 70:1 ten opzichte van niet-blanken),
bij ouderen (75% >65 jaar), en bijna tweemaal vaker bij mannen dan bij
vrouwen. De belangrijkste etiologische factor is chronische blootstelling aan
ultraviolet licht; ruim 80 % van de
plaveiselcelcarcinomen is in het hoofd-halsgebied gelokaliseerd, en de overige
20 % met name in de aan zonlicht blootgestelde delen van romp en extremiteiten (handruggen).
Bepaalde genodermatosen zoals xeroderma pigmentosum, epidermodysplasia
verruciformis, en recessieve dystrofische epidermolysis bullosa hebben ook een
sterk verhoogd risico op huidkanker en in het bijzonder plaveiselcelcarcinoom.
Het risico op plaveiselcelcarcinoom stijgt ook na blootstelling aan ioniserende
straling, arsenicum, na PUVA behandeling, in chronische wonden, littekens,
brandwonden, zweren of fistels of uit pre-existente aandoeningen zoals de ziekte
van Bowen (intra-epidermaal plaveiselcelcarcinoom) en actinische keratosen.
Patiënten met een immuunstoornis of patiënten die immunosuppressiva gebruiken
na een orgaantransplantatie of patiënten met een lymfoom of leukemie hebben een
verhoogd risico op plaveiselcelcarcinoom. De kans op een plaveiselcelcarcinoom
stijgt evenredig met de duur (en diepte) van immunosuppressie. Het gebruik van
ciclosporine na hoge dosissen UV therapie (voornamelijk PUVA) verhoogd het
risico op plaveiselcelcarcinoom exponentieel. Roken geeft eveneens een tot
tweemaal verhoogde kans op plaveiselcelcarcinoom. Sommige plaveiselcelcarcinomen
zijn geassocieerd met een HPV-infectie.
Klinisch
beeld:
Het
plaveiselcelcarcinoom ziet er aanvankelijk uit als een huidkleurige of lichtrode
nodulus, vaak met een ruw aanvoelend oppervlak (hyperkeratose). De nodulus wordt
in de loop der tijd langzaam groter en kan uitgroeien tot een grote tumor,soms
met centrale ulceratie. Andere varianten zijn erosieve of ulcererende laesies
zonder tekenen van keratinisatie, wondjes die langzaam groter worden, of
papillomateuze varianten. Soms veroorzaakt de tumor pijnklachten. Het
plaveiselcelcarcinoom kan overal op het lichaam voorkomen. Er bestaat echter een
voorkeur voor de schedelhuid, de oren, het gezicht, de lippen, de onderarmen, de
handruggen en de benen.
|

|

|

|

|
|
plaveiselcelcarcinoom
|
plaveiselcelcarcinoom
|
plaveiselcelcarcinoom
|
plaveiselcelcarcinoom
|
|

|

|

|

|
|
plaveiselcelcarcinoom
lip
|
plaveiselcelcarcinoom
oor
|
plaveiselcelcarcinoom
hand
|
plaveiselcelcarcinoom
penis
|
|

|

|

|

|
|
plaveiselcelcarcinoom
in ulcus
|
plaveiselcelcarcinoom
in ulcus
|
plaveiselcelcarcinoom
in ulcus
|
plaveiselcelcarcinoom
in ulcus
|
Premaligne
afwijkingen:
Daarnaast
zijn er premaligne afwijkingen en in situ carcinomen die over kunnen gaan in een
plaveiselcelcarcinoom:
Actinische
keratosen (premaligne; wordt door sommigen al
beschouwd als een in situ carcinoma). Zie verder onder keratosis
actinica.
Morbus
Bowen (carcinoma in situ, intra-epitheliaal plaveiselcelcarcinoom): kan zich
onder zeer verschillende beelden manifesteren, wat de klinische diagnose
moeilijk maakt. Vaak een solitaire erythemateuze, licht schilferende of
erosief-crusteuze, scherp begrensde efflorescentie van 10-50mm, die doet denken
aan psoriasis of eczeem. Morbus Bowen kan overal
op de huid voorkomen, maar het meest op aan zonlicht blootgestelde gedeelten,
met een voorkeur voor de strekzijde van handen en vingers. Carcinoma in situ
manifesteert zich ook op slijmvliezen van de mond, vulva en penis. De afwijking
is dan fluweelrood (soms erosief). Bij de penis wordt dit ook wel erythroplasie
van Querat genoemd. Kenmerkend ten opzichte van goedaardige afwijkingen is dat
de roodheid persisteert, geleidelijk groter wordt en niet op lokale
antimycotische of anti-inflammatoire therapie reageert. Morbus Bowen kan evenals
een plaveiselcelcarcinoom door middel van excisie worden behandeld, maar ook
oppervlakte therapieën zoals photodynamische therapie kunnen een mogelijkheid
zijn.
Verruceus
carcinoom: dit is een hoog gedifferentieerd, dus
laaggradig plaveiselcelcarcinoom. Kan ontstaan in chronische tumoren. Zie verder
onder verruceus carcinoom.
Keratoacanthoom:
goedaardige huidtumor die in korte tijd ontstaat. Keratoacanthomen
komen vrijwel alleen voor op huidgebieden die veelvuldig aan zonlicht worden
blootgesteld, zoals het gelaat, de oren, de armen en de handen. Het
keratoacanthoom ontstaat veelal tijdens of na de middelbare leeftijd. In de loop
van enkele weken ontwikkelt zich een ronde, huidkleurige of rode tumor op de
huid. De tumor kan uitgroeien tot een doorsnede van enkele centimeters.
Kenmerkend is de aanwezigheid van een hoornprop in het centrum. Het
keratoacanthoom veroorzaakt geen pijn- of jeukklachten. Er is geen sprake van
bloedverlies. Na verloop van enkele maanden zal het keratoacanthoom kleiner
worden en uiteindelijk vanzelf verdwijnen. Na de spontane genezing blijft een
litteken zichtbaar. In zeldzame gevallen kunnen meerdere keratoacanthomen tot
ontwikkeling komen. De klinische differentiatie tussen een keratoacanthoom en
een plaveiselcelcarcinoom kan erg lastig zijn. Ook histopathologisch is er vaak
geen uitsluitsel te geven. Bij twijfel worden keratoacanthomen behandeld als
plaveiselcelcarcinomen.
|

|

|

|

|
|
actinische
keratose
|
morbus
Bowen
|
verruceus
carcinoom
|
keratoacanthoom
|
Prognose:
Brantsch
et al. publiceerden in 2008 de resultaten van een goed uitgevoerd prospectief
observationeel cohortonderzoek bij 653 blanke patiënten met een eerste
plaveiselcelcarcinoom. Bij 26 patiënten (4%) ontstonden metastasen, 9 patiënten (1.3%) overleden ten
gevolge van gemetastaseerde ziekte. Prognostische factoren waren de dikte van de
tumor, de diameter van de tumor, slechte prognose was er voor tumoren
gelokaliseerd op het oor, en immuungecompromitteerde patiënten.
Anamnese:
(Lokalisatie
en) groeisnelheid van de afwijking. Pijn (kan een aanvullend gegeven zijn, niet
zelden is een plaveiselcarcinoom pijnlijk en kan zich hierdoor onderscheiden van
premaligne afwijkingen). Inventarisatie van de risicofactoren: zoals cumulatieve
zonlichtblootstelling, huidtype en vooral gebruik van immunosuppressiva.
Lichamelijk
onderzoek:
Het
benoemen van lokalisatie en grootte, (inclusief induratie), rangschikking en
efflorescentie. Bij palpatie moet tevens gelet worden op de verhouding tot de
onderlaag om te beoordelen of sprake kan zijn van groei in de dieper gelegen
structuren, zoals spier en bot. Bij een afwijking die klinisch verdacht is voor
een plaveiselcelcarcinoom is onderzoek van de regionale lymfklierstations
vereist. Inspectie van de gehele huid is aangewezen en aandacht moet worden
besteed aan andere huidafwijkingen passend bij zonlichtschade en huidtype.
Diagnostiek:
Bij
klinische verdenking dient histologisch onderzoek te worden verricht, middels
een biopt of excisie. (Geen shave-excisie of currettage).
De aanvraag voor histopathologisch onderzoek dient tenminste te bevatten
- personalia patiënt;
- beschrijving tumor, lokalisatie, (klinisch gemeten) diameter en
verhouding tot onderlaag;
- aard van de ingreep; (stansbiopsie of excisie)
- bij diagnostiek: differentiële diagnose;
- bij therapeutische (of diagnostische) excisie: excisie marge.
Het verslag van de patholoog dient een conclusietekst te bevatten
waarin, in
geval van plaveiselcelcarcinoom, bij voorkeur de volgende gegevens vermeld
dienen te staan:
- anatomische lokalisatie;
- aard van de ingreep (huidshave, huidbiopt of huidexcisie);
- diagnose (eventueel met vermelding histologisch subtype);
- tumor differentiatiegraad (goed, matig, slecht);
- aanwezigheid/afwezigheid van sprieterige groeiwijze (desmoplastisch);
- diepte van infiltratie (in mm gemeten vanaf de bovengrens van het str. granulosum; meet bij een ulcus vanaf de virtuele granulaire
laag);
- diameter (macroscopisch);
- aanwezigheid/afwezigheid van perineurale of angio-invasieve groei;
- indien er sprake is van ingroei in diep dermale structuren (subcutaan
vet, spier, bot of kraakbeen) moet dit eveneens apart worden vermeld;
- in geval van excisie in toto (dus ook voor diagnostische excisie met
intentie tot behandeling) voor alle snijvlakken vermeld radicaliteit met krapste
marge in mm;
- optioneel: vermeld de aan-/afwezigheid en de mate van dysplasie (M.Bowen/actinische
keratose) in de resectieranden.
Histologisch onderzoek van weefselranden:
Het is gebruikelijk om te vermelden of het snijvlak vrij is en zo ja, hoe groot
de marge van onaangedaan weefsel tot het snijvlak is .Als de snijvlakken niet
vrij lijken te zijn moet, zeker als de weefselrand is gekleurd voor het snijden,
worden aangenomen dat de excisie niet volledig was. Oriënterende markers of
hechtingen moeten door de operateur in het weefselmonster worden aangebracht
zodat de patholoog accuraat de locatie van de eventueel achtergebleven
tumorresten kan rapporteren. De clinicus en de patholoog worden geacht goed
samen te werken om te garanderen dat het microscopisch onderzoek van
geëxcideerd weefsel optimaal kan geschieden, vooral bij hoog risico tumoren
Aanvullende diagnostiek:
Het plaveiselcelcarcinoom verspreidt zich over het algemeen naar de lokale
lymfklieren, meestal gedurende het eerste jaar na vaststellen van de primaire
tumor. De kans op metastasering naar locoregionale lymfklieren is <5% voor
laag-risico tumoren en 10-20% voor hoog-risico tumoren.
Klinisch vergrote klieren dienen cytologisch te worden onderzocht. De rol van biopsie van de poortwachterklier is nog niet
duidelijk.
Bij een plaveiselcelcarcinoom stadium II of hoger in het hoofd-halsgebied is
echografische screening van de hals,.inclusief parotisgebied, aangewezen met
cytologische punctie van verdachte lymfklieren vanaf 5 mm grootte. Is de punctie
daatbij negatief en is er sprake van een sterke radiologische dan wel klinische
verdenking op een pathologische lymfklier, dan dient deze te worden herhaald,
wederom onder echogeleide.
Voor lokalisaties buiten het hoofd-halsgebied wordt palpatie met cytologische
punctie aanbevolen van voor metastasen verdachte lymfklieren. Voor hoog-risico
tumoren (vanaf TNM stadium II en hoger) met klinisch onverdachte regionale
lymfklieren wordt echografische screening aanbevolen.
Indien nadere aanvullende diagnostiek wenselijk is kan MRI inzicht geven in de
lokale uitbreiding van de tumor; Een CT met iv contrast kan eveneens inzicht
geven in de mate van ossale betrokkenheid.
Bij de hoogrisico plaveiselcelcarcinomen (TNM stadium II of hoger) met bewezen
metastasen (of een concrete verdenking op metastasen) in de hals kan een
preoperatieve CT-Thorax of PET-CT worden overwogen. Er is onvoldoende bewijs
voor een routinematige X-Thorax en het routinematig aanvragen van
laboratoriumdiagnostiek.
TNM-Classificatie:
|
T |
Tx |
primaire tumor kan niet worden bepaald |
|
|
T0 |
geen bewijs van primaire tumor |
|
|
Tis |
carcinoma in situ |
|
|
T1 |
tumor kleiner of gelijk aan 2 cm |
|
|
T2 |
tumor groter dan 2 cm |
|
|
T3 |
extra dermale invasie in spier, bot, kraakbeen, kaak of
orbita. |
|
|
T4 |
invasie in schedelbasis of axiaal skelet |
|
|
|
|
|
N |
Nx |
regionale lymfklierstatus kan niet worden bepaald |
|
|
N0 |
geen regionale lymfkliermetastase |
|
|
N1 |
enkele kliermetastase kleiner of gelijk aan 3 cm |
|
|
N2 |
enkele kliermetastase groter dan 3 tot 6 cm of multipele kliermetastasen
kleiner dan 6 cm |
|
|
N3 |
kliermetastase van meer dan 6 cm |
|
|
|
|
|
M |
M0 |
(klinisch) geen metastasen op afstand |
|
|
M1 |
metastase op afstand |
Prognostische groepering (stadium indeling) op basis van T, N en M plus andere prognostische factoren:
|
Prognostische groepering
|
Grootte
|
Regionale
lymfekliermetastasen
|
Metastering op
afstand
|
|
Stadium 0
|
T in situ
|
N0
|
M0
|
|
Stadium I*
|
T1
|
N0
|
M0
|
|
Stadium II
|
T2
|
N0
|
M0
|
|
Stadium III
|
T3
T1, T2, T3
|
N0
N1
|
M0
M0
|
|
Stadium IV
|
T1, T2, T3
T4
-
-
|
N2
-
N3
-
|
M1
-
-
M1
|
*
Stadium I in combinatie met 2 of meer van de onderstaande prognostische risicofactoren
wordt ingedeeld in Stadium II:
- > 4 mm dikte;
- perineurale invasie;
- lymfovasculaire invasie;
- locatie op oor of lip;
- slecht of ongedifferentieerd.
Laag-risico tumoren: stadium I
Hoog-risico tumoren: stadium II of hoger
Therapie:
Bij hoogrisico tumoren en recidiverende tumoren moet multidisciplinaire
behandeling worden overwogen. Vormen
van therapie:
- Conventionele chirurgische excisie
- Radiotherapie
- Mohs micrografische chirurgie
- Cryochirurgie
- Curettage en coagulatie
- Andere therapieën
Conventionele chirurgische excisie
Chirurgische excisie is de voorkeursbehandeling voor de meerderheid van de
plaveiselcelcarcinomen van de huid.
Voor primaire en laag-risico tumoren, zoals Stadium I tumoren, wordt een
klinische 5 mm marge van rondom de tumor aanbevolen.
Voor hoog-risicotumoren, Stadium II of hoger en recidief tumoren wordt een
klinische marge van 1 cm rondom de tumor aanbevolen.
Bij een histologische marge van minder dan 2 mm wordt een re-excisie aanbevolen
bij hoog-risico.
Nadat excisie heeft plaatsgevonden is een OK-verslag met daarin de prognostische
factoren uit de TNM-classificatie belangrijk, om correcte stadiëring van de
tumor mogelijk te maken.
Dit OK-verslag bevat minstens de volgende items:
- gehanteerde excisiemarge en niveau van excisie (subcutis, fascie);
- lokalisatie van de excisie;
- wijze van sluiting;
- wijze van markering.
Het is aan te bevelen een defect na radicale excisie pas chirurgisch te sluiten
na histopathologische bevestiging. Kleine tumoren kunnen primair worden gesloten.
Op een niet-volledig verwijderde tumor of een actinisch beschadigde huid is
terughoudendheid met verschuivingsplastieken aanbevolen.
Radiotherapie
Radiotherapie alleen biedt bij plaveiselcelcarcinoom een korte en lange termijn
genezing die vergelijkbaar is met andere behandelingen. Radiotherapie zal in
bepaalde omstandigheden de voorkeur hebben. Dit is onder andere het geval bij
tumoren op de lip (T2 tumoren), het vestibulum nasi (en soms de buitenkant van
de neus (ala en neuspunt)) en het oor (gehoorgang). Bepaalde vergevorderde
tumoren waar de chirurgische morbiditeit onacceptabel hoog is kunnen ook het
best met radiotherapie behandeld worden.
Er zijn aanwijzingen dat radiotherapie alleen genezingskansen (> 90 %) biedt
die vergelijkbaar zijn met andere behandelingen. De werkgroep (Richtlijn
plaveiselcelcarcinoom) is van mening dat radiotherapie in specifieke
omstandigheden het beste cosmetische en/of functionele resultaat zal geven.
NB. Sommige locaties hebben een lage tolerantie voor radiotherapie, bijvoorbeeld
de handrug en het onderbeen, en chirurgische excisie heeft op deze plaatsen de
voorkeur. Elke tumor die invadeert in kraakbeen of bot (bijvoorbeeld bij oor of
neus) kan het best chirurgisch worden behandeld om radionecrose te voorkomen.
In gevallen waar er discussie bestaat over of radiotherapie of chirurgie de
beste optie is, moeten er nauwe banden bestaan tussen een dermatoloog,
radiotherapeut en plastisch chirurg; idealiter in een multi-disciplinair overleg.
Dit geldt voornamelijk voor stadium 2 tumoren met als toevoeging de tumoren op
het vestibulum nasi, de ala en de neuspunt.
MOHS
micrografische chirurgie
De plaats van micrografische chirurgie in de behandeling van het
plaveiselcelcarcinoom is nog onvoldoende aangetoond, derhalve is er, mede gezien
de beperkte beschikbaarheid van micrografische technieken in Nederland, een
voorkeur voor conventionele excisie. Micrografische chirurgie kan overwogen
worden bij de chirurgische behandeling van het hoogrisico-plaveiselcelcarcinoom
(vanaf TNM stadium II), vooral op lokalisaties waar ruime excisie het
functionele resultaat van de reconstructie zou beperken, vooral op specifieke
localisaties (zie boven).
Cryochirurgie
Gezien de mogelijkheid van radicaliteitscontrole verdient chirurgische excisie
ook voor kleine tumoren de voorkeur boven cryochirurgie.
Cryochirurgie kan men enkel bij zeer kleine en laagrisico tumoren overwegen en
zou uitsluitend door clinici met ervaring in cryochirurgie moeten worden
toegepast.
De werkgroep (Richtlijn plaveiselcelcarcinoom) is van mening dat cryochirurgie
gecontraïndiceerd is bij recidief tumoren of hoogrisico tumoren
Curettage en coagulatie
Gezien de mogelijkheid van radicaliteitscontrole verdient chirurgische excisie
ook voor kleine tumoren de voorkeur boven curettage en coagaluatie.
Curettage en coagulatie kan men bij zeer kleine en laagrisico tumoren overwegen
en zou uitsluitend door clinici met ervaring in curettage en coagulatie moeten
worden toegepast.
De werkgroep (Richtlijn plaveiselcelcarcinoom) is van mening dat curettage en
coagulatie gecontraïndiceerd is bij recidief tumoren of hoogrisico tumoren. De
techniek kan wel worden gebruikt bij uitgebreide gedissemineerde carcinomen
(field cancerization) waarbij er geen gezonde tussenliggende huid meer over is
om primaire excisies te kunnen sluiten.
Andere therapieën
Bij morbus Bowen of carcinoma
in situ lokale therapie worden overwogen. Topisch imiquimod, intralesionaal
interferon alfa, intralesionaal/lokaal 5-fluorouracil en topische fotodynamische
therapie zijn gecontraïndiceerd bij de behandeling van het
plaveiselcelcarcinoom.
Voorkeursbehandeling bij transplantatie/immuungecompromiteerde patiënten
Orgaantransplantatiepatiënten hebben een 65 keer tot 250 keer verhoogd risico
op het ontstaan van plaveiselcelcarcinoom van de huid dan de algemene populatie.
De plaveiselcelcarcinomen in transplantatiepatiënten groeien vaak sneller en
hebben bovendien een verhoogde kans op metastasering. Het risico op het ontstaan
van een plaveiselcelcarcinoom lijkt afhankelijk van de levenslange blootstelling
(accumulatie) aan UV-straling en de uitgebreidheid van immunosuppressie.
Dermatologische controles moeten erop gericht zijn vroege stadia van
plaveiselcelcarcinoom te ontdekken en snel te behandelen.
Preventieve maatregelen (zonprotectie) dienen routinematig te worden besproken.
Aanpassing van de immunosuppresieve medicatie dient bij multipele en hoogrisico
plaveiselcelcarcinoom te worden overwogen.
Profylactisch gebruik van systemische retinoïden (bv 25 mg per dag) reduceert
plaveiselcelcarcinomen bij orgaantransplantatie-patiënten.
Voorkeursbehandeling
bij loco-regionale metastasen
Een hoogrisico plaveiselcelcarcinoom kan locale metastasen geven die niet
continu met de primaire tumor zijn ('in-transit' metastasen). Microscopische
metastasen kunnen verwijderd worden door een ruime chirurgische excisie of
kunnen meegenomen worden door adjuvante bestraling van een ruim veld om de
primaire lesie. Dit biedt een hogere genezingskans dan een krappe marge. Met
Mohs' micrografische chirurgie wordt een per continuitatem groeiende tumor wel
verwijderd, maar identificeert men niet de 'in-transit' micrometastasen.
Bij grote, diep infiltrerende plaveiselcelcarcinomen (grote T2 tumoren, T3
tumoren en T4 tumoren) heeft conventionele chirurgie met ruime marge daarom de
voorkeur. In geval van negatieve histologische groeikenmerken moet overwogen
worden chirurgische excisie te laten volgen door adjuvante radiotherapie.
In een klein percentage van de gevallen (ongeveer 10%) is bij
plaveiselcelcarcinomen van de huid sprake van metastasering naar regionale
lymfeklierstations, wat de kans op overleving voor de patiënt aanzienlijk
verkleint. Onder het niveau van de clavicula betreft dit meestal de lies of de
oksel. Boven het niveau van de clavicula betreft dit meestal de glandula parotis
en de diepe halsklieren. De distributie van regionale lymfekliermetastasen is
gerelateerd aan de lokalisatie van de primaire tumor.
De rol van een biopsie van de poortwachterklier is nog niet duidelijk en wordt
door de werkgroep Richtlijn plaveiselcelcarcinoom momenteel afgeraden (buiten
trialverband).
In geval van een of meerdere lymfekliermetastasen is chirurgische dissectie van
het betreffende lymfekliergebied sterk aan te bevelen.
In geval van meerdere lymfkliermetastasen, lymfkliermetastasen met
extracapsulaire groei en tumoren (grote T2, T3 of T4) met negatieve
histologische groeikenmerken zal adjuvante radiotherapie moeten worden overwogen.
Een electieve profylactische lymfklierdissectie wordt niet routinematig verricht
en er is geen bewijs voor de effectiviteit hiervan.
Indien er bij histopathologie van het klierdissectiepreparaat sprake is van meer
dan 1 positieve lymfeklier of indien er sprake is van extra-capsulaire groei,
dan dient bovendien adjuvante radiotherapie plaats te vinden om de kans op een
regionaal recidief te verminderen.
De behandeling van stadium III en stadium IV tumoren moet besproken moet worden
in een gespecialiseerd team.
Follow-up:
Het doel van een controle na behandeling van de patiënt met een cutaan
plaveiselcelcarcinoom is vroege detectie en behandeling van locale en regionale
recidieven ten einde de overleving van deze patiënten te verbeteren. 95 % van
de locale recidieven en metastasen worden ontdekt binnen 5 jaar. Daarnaast
bestaat er een kans van 30% op een tweede primair plaveiselcelcarcinoom binnen 5
jaar. Het lijkt daarom redelijk om voor patiënten met een plaveiselcelcarcinoom
deze 5 jaar als observatietermijn aan te houden. Hoogrisico
plaveiselcelcarcinomen dienen gedurende de eerste 2 tot 3 jaar frequent
gecontroleerd te worden. Er bestaat geen bewijs dat standaard aanvullende
diagnostiek, zoals een echo van de regionale lymfklieren, hierbij geïndiceerd
is.
|
Aanbevolen
follow-up schema's
|
|
Follow-up
schema hoog-risico plaveiselcelcarcinomen:
1 keer per 3 maanden gedurende het eerste jaar
1 keer per 4 maanden gedurende het tweede jaar
1 keer per 6 maanden gedurende het derde jaar
1 keer per jaar gedurende het vierde en vijfde jaar
|
|
Follow-up
schema laag-risico plaveiselcelcarcinomen:
1 keer per 6 maanden gedurende de eerste 2 jaar
1 keer per jaar gedurende het derde, vierde en vijfde jaar
|
|
De
controle moet bestaan uit inspectie en palpatie van het behandelde gebied en de
regionale lymfklierstations alsmede inspectie van de gehele huid. In het dossier
van de patient moet dit onderzoek en de resultaten hiervan vermeld worden (inspectie
hele huid; lymfklieren hoofd-hals, oksels, liezen).
Laboratoriumonderzoek en beeldvormend onderzoek moet alleen op indicatie worden
verricht.
|
Zelfonderzoek:
Patiënten
die hiertoe in staat zijn dienen geïnstrueerd te worden in
zelfonderzoek van het litteken, de omgevende huid en de lymfklieren.
Zelfonderzoek houdt in dat de patiënt de huid om de paar maanden onderzoekt:
- Terugkeer van de huidkanker in de behandelde huid (onderzoek van het
litteken);
- Zwellingen in de aanpalende regionale klierstations;
- Ontstaan van nieuwe huidkankers elders op het lichaam.
Het zelfonderzoek dient bij voldoende belichting te worden uitgevoerd. Behalve
inspectie,
eventueel met een loep, moet de patiënt ook goed aan het verdachte huidgezwel
voelen.
Preventie:
Het
plaveiselcelcarcinoom wordt overduidelijke veroorzaakt door zonlicht
en kan dus worden voorkomen door zonbeschermende maatregelen: niet te lang in de
zon gaan, zorg ervoor niet te verbranden, gebruik goede sunscreens
bij een lange blootstelling aan de zon.
Bij
patiënten met immunosuppressiva
nagaan of de dosering niet te hoog is; tevens kan Neotigason 1 dd 10-25 mg
worden overwogen.
Referenties
|
1.
|
NVDV
Richtlijn plaveiselcelcarcinoom van de huid 2010. PDF-document |
|
2.
|
Brantsch
KD, Meisner C, Schönfisch B, Trilling B, Wehner-Caroli J, Röcken M, et al.
Analysis of risk factors determining prognosis of cutaneous squamous-cell
carcinoma: a prospective study. Lancet Oncol 2008; 9:713-720.
|
17-07-2011
(MVL / JRM) - www.huidziekten.nl
|