PSEUDOLYMFOOM (PSEUDOLYMPHOMA) home ICD10: L98.82

Een pseudolymfoom is een huidaandoening veroorzaakt door een ophoping van lymfocyten in de huid. Het kan lijken op een echt lymfoom (een maligne clonale expansie van T- of B-cel lymfocyten), maar het is een benigne aandoening, veroorzaakt door een B-cel of T-cel infiltraat als reactie op iets, meestal een infectie, of een geneesmiddel.

De meeste pseudolymfomen zijn nodulaire laesies, met een infiltraat voornamelijk opgebouwd uit B-cel lymfocyten. Deze cutane B-cel pseudolymfomen worden ook wel aangeduid als lymphocytoma cutis benigna of lymphadenosis cutis benigna (ziekte van Bafverstedt, Spiegler Fendt sarcoid). Ze worden meestal door een infectie getriggerd, de meest voorkomende oorzaak (circa 30%) is een Borrelia infectie (Ixodes ricinus, zie onder Borrelia lymfocytoom). Pseudolymfomen kunnen ook ontstaan als reactie op insectensteken, tatouages, vaccinaties, trauma, piercings, acupunctuur, behandeling met bloedzuigers, metalen (goud, aluminium), siliconen, en contactallergenen. Het cutane pseudolymfoom is goedaardig en gaat vaak vanzelf weer over.

Pseudolymfoom Pseudolymfoom Pseudolymfoom
pseudolymfoom (B-cel) pseudolymfoom (B-cel) pseudolymfoom (B-cel)
  
De term pseudolymfoom wordt soms ook gebruikt voor huidafwijkingen die lijken op een T-cel lymfoom zoals actinisch reticuloïd, drug-induced pseudolymphoma (reactieve clonale T-cel expansie veroorzaakt door een geneesmiddel), lymfomatoïde geneesmiddelenerupties, lymfomatoïde contactdermatitis, lymfomatoïde papulosis, lymphocytic infiltration of the skin (Jessner) en erythema migrans arciforme et palpabile (EMAP). Geneesmiddelen, met name anti-epilectica zoals fenytoïne, maar ook antibiotica kunnen een forse geneesmiddelenreactie veroorzaken, waarbij het geneesmiddel een T-cel kloon induceert die vervolgens schade aanricht. Dit kan zijn TEN (toxische epidermale necrolyse), koorts (drug fever), ernstige leverfunctiestoornissen (drug-induced hepatitis), eosinofilie, lymfadenopathie, e.a. symptomen. Voor dit symptomencomplex worden ook wel de termen drug-induced hypersensitivity syndrome of DRESS syndroom (drug reaction with eosinophilia and systemic symptoms) gebruikt. Na het staken van het verdachte geneesmiddel is het probleem niet zomaar voorbij, want de lymfocyten hebben een bepaalde levensduur en vaak gaat de clonale expansie nog even door. Er kan zelfs een maligne T-cel lymfoom ontstaan. In zeldzame gevallen kunnen door geneesmiddelen ook B-cel pseudolymfomen ontstaan.
 
Lymfomatoide papulosis Pseudolymfoom Actinisch reticuloïd
lymfomatoïde papulosis morbus Jessner actinisch reticuloïd
  
Pseudolymfomen zijn meestal polyclonaal, echte lymfomen monoclonaal, maar dat gaat niet altijd op. Clonaliteitsonderzoek wordt verricht d.m.v. PCR (polymerase chain reaction) op de T-cel receptor (TCR), ook wel DNA-rearrangement of genherschikkingsonderzoek genoemd. T-cellen hebben op hun oppervlak een receptor die antigeen herkent. Er zijn duizenden verschillende T-cel receptors gericht tegen duizenden verschillende antigenen. Herkent een T-cel een antigeen dan bindt de T-cel aan het antigeen, zendt diverse signalen uit d.m.v. cytokinen en deelt waardoor er steeds meer T-lymfocyten (een kloon) ontstaan met die unieke TCR op het oppervlak. Het gen dat codeert voor die unieke TCR kan d.m.v. PCR worden gedetecteerd.

Klinisch beeld:
Pseudolymfomen van het B-cel type zijn meestal solitaire rode of blauwpaarse noduli, een tot enkele cm groot. Pseudolymfomen zitten meestal (70%) in het gelaat, bijvoorbeeld op de neus, of in de oorlel (Borrelial lymfocytoom). Soms op de borst (tepel, areola), scrotum, of armen, zelden op de benen. Ze ontstaan in een langzaam tempo, in enkele weken.
Pseudo T-cel lymfomen kunnen naast noduli ook de vorm hebben van plaques, papels, tumoren, diffuse infiltraten, erythematosquameuze dermatitis, erytrodermie, TEN.

DD:
B-cel pseudolymfoom: borrelia lymfocytoom, granuloma annulare, lymfomatoïde papulosis, lymphocytic infiltration of the skin (Jessner), primair cutaan follikel centrum cel lymfoom, Merkelcelcarcinoom, metastase, leukemia cutis, angiolymfoïde hyperplasie met eosinofilie, lues II, lupus panniculitis, persistant insect bite.
T-cel pseudolymfoom: cutaan T-cel lymfoom, mycosis fungoides, actinisch reticuloïd, drug-induced pseudolymphoma, lymfomatoïde geneesmiddelenerupties, lymfomatoïde contactdermatitis, lymfomatoïde papulosis, lymphocytic infiltration of the skin (Jessner) en erythema migrans arciforme et palpabile (EMAP).

Diagnostiek:
Biopt (HE, immunohistochemische kleuringen, fenotypering van het infiltraat, op indicatie clonaliteitsonderzoek (T-cel receptor DNA-rearrangement)). Borrelia serologie bij solitaire B-cel pseudolymfomen. Lab: Hb, Leuko's, Leukodiff. Leverenzymen (ALAT, ASAT, AF, GGT).

PA:
Het kan moeilijk zijn een pseudolymfoom van een lymfoom te onderscheiden. Vaak is het klinisch beeld er bij nodig om het onderscheid te maken. Een B-cel pseudolymfoom kan lijken op een follicular center lymphoma. Ook bij lymfomatoïde papulosis is het moeilijk om het te onderscheiden van een CD30+ cutaneous anaplastic large cell lymphoma (C-ALCL).

Therapie:
Behandelen van onderliggende infecties zoals Borrelia. Staken van verdachte medicatie.
R/ Locale corticosteroïden (Dermovate crème of zalf).
R/ Intralesionale corticosteroïden (Kenacort A10 onverdund).
R/ Cryotherapie.
R/ Excisie.
R/ Radiotherapie.
R/ Protopic (tacrolimus).
R/ Aldara (imiquimod).
R/ PDT (photodynamische therapie).
R/ Q-switched Nd:YAG 532-nm laser (bij tatouage-induced pseudolymfomen).


Referenties
1. Bergman R. Pseudolymphoma and cutaneous lymphoma: facts and controversies. Clin Dermatol 2010;28(5):568-574.
2. Bocquet H, Bagot M, Roujeau JC. Drug-induced pseudolymphoma and drug hypersensitivity syndrome (Drug Rash with Eosinophilia and Systemic Symptoms: DRESS). Semin Cutan Med Surg 1996;15(4):250-257.
3. Callot V, Roujeau JC, Bagot M, Wechsler J, Chosidow O, Souteyrand P, et al. Drug-induced pseudolymphoma and hypersensitivity syndrome. Two different clinical entities. Arch Dermatol 1996;132(11):1315-1321.
4. Maubec E, Pinquier L, Viguier M, Caux F, Amsler E, Aractingi S, Chafi H, Janin A, Cayuela JM, Dubertret L, Authier FJ, Bachelez H. Vaccination-induced cutaneous pseudolymphoma. J Am Acad Dermatol 2005;52(4):623-629.
5. Kazandjieva J, Tsankov N. Tattoos: dermatological complications. Clin Dermatol 2007;25(4):375-382.
6. Braun RP, French LE, Feldmann R, Chavaz P, Saurat JH. Cutaneous pseudolymphoma, lymphomatoid contact dermatitis type, as an unusual cause of symmetrical upper eyelid nodules. Br J Dermatol 2000;143(2):411-414.
7. Bachelez H. The clinical use of molecular analysis of clonality in cutaneous lymphocytic infiltrates. Arch Dermatol 1999;135(2):200-202.
8. El-Dars LD, Statham BN, Blackford S, Williams N. Lymphocytoma cutis treated with topical tacrolimus. Clin Exp Dermatol 2005;30(3):305-307.
9. Baumgartner-Nielsen J, Lorentzen H. Imiquimod 5%: a successful treatment for pseudolymphoma. Acta Derm Venereol 2014;94(4):469.
10. Mikasa K, Watanabe D, Kondo C, Tamada Y, Matsumoto Y. Topical 5-aminolevulinic acid-based photodynamic therapy for the treatment of a patient with cutaneous pseudolymphoma. J Am Acad Dermatol 2005;53(5):911-912.
11. Lucinda TS, Hazel OH, Joyce LS, Hon CS. Successful Treatment of Tattoo-Induced Pseudolymphoma with Sequential Ablative Fractional Resurfacing Followed by Q-Switched Nd: YAG 532 nm Laser. J Cutan Aesthet Surg 2013;6(4):226-228.

 
Auteur(s):
dr. Jan R. Mekkes. Dermatoloog, AMC, Amsterdam.

26-06-2015 (JRM) - www.huidziekten.nl W3C-html-4.01-valid



web counter