PUSTELS EN VESICULO PUSTULEUZE ERUPTIES BIJ NEONATEN home ICD10: n.v.t.

Pasgeborenen kunnen direct na de geboorte of in de eerste week al direct onder de pustels zitten. Meestal gaat het om de self-limiting aandoening erythema toxicum neonatorum, dat bij circa 30% van de pasgeborenen voorkomt. Maar ook acneïforme erupties en vesiculopustuleuze infecties kunnen ontstaan.

Niet infectieus: Infectieus:
Milde voorbijgaande reacties
- erythema toxicum neonatorum
- transient neonatal pustular melanosis
- acropustulosis of infancy
- neonatale acne
- miliaria

Vesiculopustels bij syndromen
- incontinentia pigmenti
- Langerhans cell histiocytosis
- acrodermatitis enteropathica
- hyperimmunoglobuline E syndroom
- focale dermale hypoplasie

Diversen
- eosinofiele folliculitis
Bacterieel
- S. aureus
- Streptococcus
- Pseudomonas aeruginosa
- Listeria monocytogenes
- Haemophilus influenzae
- Klebsiella pneumoniae

Gisten
- Candida albicans
- Malassezia (Pityrosporon folliculitis)

Virussen
- herpes simplex

Parasitair
- scabies



ERYTHEMA TOXICUM NEONATORUM (EOSINOPHILICUM) home ICD10: P83.1

Erythema toxicum neonatorum is een goedaardige, vaak voorkomende (circa 30% van pasgeborenen) en vanzelf voorbijgaande pustuleuze eruptie bij neonaten. Het ontstaat in de eerste 2 weken, meestal 1-3 dagen na de geboorte. Klinisch zijn er 1-2 mm grote pusteltjes, papeltjes en kleine erythemateuze macula. Ze kunnen over het hele lichaam zitten, met een voorkeur voor het gezicht, de romp, bovenarmen en billen. Niet op handpalmen of voetzolen. Het kunnen er enkele zijn of honderden. De baby heeft er weinig last van, is niet ziek. Het duurt enkele dagen tot weken, daarna verdwijnt het weer zonder littekens achter te laten. De oorzaak is onbekend. Men denkt aan een niet specifieke reactie op allerlei allergenen in de omgeving, waaronder bacteriën en gisten en verzorgingsproducten. De pusteltjes zitten vol met eosinofiele granulocyten, het aantonen daarvan in een diff-quick bevestigt de diagnose. Er worden geen bacteriën of gisten (Pityrosporum) gezien in het preparaat, en de KOH en eventuele kweken op bacteriën en gisten zijn negatief. In het bloed kan ook eosinofilie aanwezig zijn. Een biopt is niet nodig, de diagnose kan worden gesteld op het klinisch beeld plus zonodig een direct preparaat (diff-quick). Erythema toxicum neonatorum wordt zelden doorverwezen naar dermatologen omdat het vaak al door de kraamverpleegkundige wordt herkend en uitgelegd aan de ouders.

Erythema toxicum neonatorum Erythema toxicum neonatorum Erythema toxicum neonatorum
erythema toxicum neonatorum erythema toxicum neonatorum erythema toxicum neonatorum

DD: pustuleuze neonatale dermatosen (transient neonatal pustular melanosis, candida, milia, miliaria, bacterieel (S. aureus, Streptococcus, Pseudomonas aeruginosa, Listeria monocytogenes, Haemophilus influenzae, Klebsiella pneumoniae), herpes simplex, scabies, eosinophilic pustular folliculitis, acropustulosis of infancy, acne neonatorum).

Therapie:
Geen behandeling nodig, gaat vanzelf over. 



TRANSIENT NEONATAL PUSTULAR MELANOSIS home ICD10: geen

Transiente neonatale pustulaire melanosis lijkt sterk op erythema toxicum neonatorum. Vanaf de geboorte zijn pustels, vesikels, of vesiculopustels aanwezig die snel kapot gaan en een kleine collerette kunnen achterlaten. Het verschil is dat de pusteltjes neutrofiele granulocyten bevatten in plaats van eosinofielen, dat het vooral voorkomt bij de gepigmenteerde huid (gemiddeld 5% bij gepigmenteerde huid en 1% bij niet gepigmenteerde huid), en dat er gepigmenteerde macula kunnen achterblijven (postinflammatoire hyperpigmentatie). Soms zijn alleen de macula aanwezig bij de geboorte, men neemt aan dat het vesiculopustuleuze stadium dan in utero is gepasseerd. Het beeld is niet zeldzaam (in gepigmenteerde huid soms tot 10% van de pasgeborenen) maar is pas in 1976 voor het eerst beschreven en nog niet doorgedrongen tot alle diagnose-lijsten, danwel het wordt onder erythema toxicum neonatorum geschaard. Transient neonatal pustular melanosis kan over het hele lichaam voorkomen inclusief handpalmen en voetzolen, maar zit vooral op het gezicht (voorhoofd, kin, achterkant oren), nek, romp, billen en dijen. Het gaat vanzelf over, meestal binnen 2 weken, maar de pigmentvlekjes die kunnen achterblijven trekken pas na weken tot maanden weg. De oorzaak is onbekend. De diagnose wordt gesteld op het klinisch beeld, eventueel aangevuld met een direct preparaat (diff-quick) en kweken op bacteriën en gisten. Een biopt is niet nodig, maar histologisch ziet men intra- of subcorneale pusteltjes met neutrofiele granulocyten.

Transiente neonatale pustuleuze melanosis
neonatal pustular melanosis

DD: pustuleuze neonatale dermatosen (erythema toxicum neonatorum, candida, milia, miliaria, bacterieel, herpes simplex, scabies, eosinophilic pustular folliculitis, acropustulosis of infancy, acne neonatorum).

Therapie:
Geen behandeling nodig, gaat vanzelf over.



NEONATALE ACNE (ACNE NEONATORUM) home ICD10: L70.41

Neonatale acne (acne neonatorum) is een acneïforme eruptie inclusief comedonen, bij de neonaat. Het begint meestal later dan erythema toxicum neonatorum of transiente pustuleuze melanosis, namelijk enkele weken na de geboorte. Het verdwijnt vanzelf weer na enkele (1-3) maanden zonder littekens achter te laten. Het zit vooral op het hoofd (voorhoofd en wangen), en naast multipele folliculaire pustels en papels zijn er ook comedonen en een inflammatoire component (erythemateuze papels). De oorzaak is niet precies bekend, gedacht wordt aan een acneïforme eruptie ten gevolge van androgene hormonen die afkomstig zijn nog van de moeder, of die geproduceerd worden door het kind zelf. Acne kan ook veel later beginnen op de leeftijd 1.5-2 jaar; op die leeftijd wordt vaak de term acne infantum gebruikt en moet men bedacht zijn op hormonale stoornissen bij het kind.

Acne neonatorum
acne neonatorum

In sommige leerboeken wordt acne neonatorum beschouwd als een overkoepelend begrip voor pusteltjes bij neonaten, verder onder te verdelen in erythema toxicum neonatorum, met veel eosinofielen in de pusteltjes, neonatal cephalic pustulosis, wat waarschijnlijk hetzelfde is als een Pityrosporon folliculitis, en acne infantum, pas later na de geboorte beginnend en gekenmerkt door folliculaire papels, pustels en comedonen, vooral in het gelaat, en waarschijnlijk ontstaan ten gevolge van maternale androgenen.

DD: pustuleuze neonatale dermatosen (erythema toxicum neonatorum, candida, milia, miliaria cristallina en rubra, bacterieel, herpes simplex, scabies, eosinophilic pustular folliculitis, acropustulosis of infancy, incontinentia pigmenti).

Therapie: Omdat het vanzelf over gaat is behandeling van neonaten meestal niet nodig. In ernstige gevallen kunnen eventueel benzoylperoxide of erytromycine 2% lotions worden gebruikt.



NEONATAL CEPHALIC PUSTULOSIS home ICD10: geen

Neonatal cephalic pustulosis is een aandoening bestaande uit pusteltjes bij de neonaat, vanaf de geboorte of in de eerste 2-3 weken, vooral in het gelaat (kin, wangen en voorhoofd, soms ook oogleden), die wordt veroorzaakt door een overgroei van Pityrosporon (Malassezia spp). In feite zou men dit ook een neonatale Pityrosporum folliculitis kunnen noemen. De pustels kunnen echter zowel folliculair als niet-folliculair zijn. De diagnose wordt aannemelijk bij het aantreffen van veel gisten in een direct preparaat (diff-quick), waarbij ook neutrofiele leukocyten aanwezig zijn en niet een dominant eosinofiel infiltraat zoals bij erythema toxicum neonatorum. Andere symptomen gerelateerd aan Malassezia zoals berg (seborroisch eczeem) kunnen aanwezig zijn.

Neonatal cephalic pustulosis Neonatal cephalic pustulosis Neonatal cephalic pustulosis
neonatal cephalic pustulosis neonatal cephalic pustulosis neonatal cephalic pustulosis

DD: pustuleuze neonatale dermatosen (erythema toxicum neonatorum, candida, milia, miliaria, bacterieel, herpes simplex, scabies, eosinophilic pustular folliculitis, acropustulosis of infancy, acne neonatorum).

Therapie:
Meestal is geen behandeling nodig, gaat vanzelf over. Het kan eventueel worden behandeld met lokale antimycotica, maar het is verstandig om daar terughoudend mee te zijn in de eerste levensweek, bij een aandoening die ook vanzelf overgaat.
R/ Nizoral (ketoconazol crème) 1-2 dd gedurende enkele dagen.



MILIARIA CRYSTALLINA en MILIARIA RUBRA home ICD10: L74.1

Miliaria is de term voor een jeukende voorbijgaande eruptie van heldere vesikels veroorzaakt door afsluiting van de uitvoergangen van de zweetklieren, vaak in combinatie met overmatig zweten. Milaria crystallina (L74.1) is de meest voorkomende vorm. Hierbij is de afvoergang geruptureerd of geblokkeerd op het niveau van het statrum corneum. Er zijn kristalheldere vesikels te zien die als druppels op de huid lijken te liggen. Het komt het meest voor op de romp en het voorhoofd. Bij miliaria rubra (L74.0) ontstaan 1-3 mm grote erythemateuze jeukende niet-folliculaire papeltjes, vesikels of pusteltjes. De blokkade is intra-epidermaal en er is een ontstekingsreactie rond de verstopte zweetklier afvoergang.
Miliaria cristallina Miliaria cristallina Miliaria cristallina
miliaria cristallina miliaria cristallina miliaria cristallina

Miliaria ontstaat door overmatig zweten bij warme omstandigheden (warme omgeving (tropen), na overmatig zonnen en sauna, bij koorts, te hoge kamertemperatuur, te warm aangekleed). Vaak speelt er ook een (gedeeltelijke) blokkade van de uitvoergangen mee. Bij neonaten wordt het vaak gezien, mogelijk omdat de afvoergangen nog niet goed aangelegd of doorgankelijk zijn; ook worden babies en kleuters vaak te warm aangekleed. Andere oorzaken van blokkade van zweetklierafvoergangen zijn oedeem in de epidermis, huidziekten met parakeratose, schade door zonverbranding, vette zalven, kleding, luiers, bepaalde chemicaliën).

De lichte vorm (miliaria crystallina) behoeft geen behandeling. De ernstige vorm (miliaria rubra, tropische rodehond, prickly heat), die voornamelijk in de tropen voorkomt, wordt behandeld met rust, afkoeling, luchtige kleding en antipruriginosa (zie pruritus). In tropische landen zijn verkoelende talkpoeders te koop tegen prickly heat.



ACROPUSTULOSIS INFANTUM home ICD10: R23.84

Acropustulosis infantum (acropustulosis of infancy, infantiele acropustulosis) is een zeldzame vesiculo-pustuleuze eruptie waarbij sterk jeukende vesikels en later steriele pusteltjes ontstaan op de handen en voeten (zowel ventraal als dorsaal) en minder vaak op polsen, enkels en billen, proximale extremiteiten, romp, voorhoofd en frontale scalp. Het is voor het eerst beschreven in 1979 door Kahn and Rywlin. De laesies beginnen als miliaire rode papeltjes die veranderen in 1-4 mm grote discrete vesikeltjes die veranderen in pusteltjes. Erosies en crustae op de dorsale zijden van handen, vingers en voeten worden beschreven. Na 3-7 dagen blijven er schilferende gehyperpigmenteerde maculae achter. Kweken zijn negatief. Soms wordt er een verhoogd percentage eosinofielen gevonden. Het wordt vaker gezien bij jongetjes met gepigmenteerde huid. Eerste aanval duurt 1 à 2 weken, daarna kan gemiddeld iedere 4 weken een recidief optreden. Spontane genezing treedt op rond het 3e levensjaar. Het kan beginnen vanaf de geboorte tot de leeftijd van 1 jaar met een spontane remissie zonder restverschijnselen na 2-3 (3,5) jaar. Het wordt gesuggereerd dat het langer duurt als de ziekte eerder begint. Het verloopt meestal met remissies en exacerbaties. De intervallen (2-4 weken) tussen de aanvallen worden steeds groter (4-8 weken).

Acropustulosis infantum Acropustulosis infantum Acropustulosis infantum
acropustulosis infantum acropustulosis infantum acropustulosis infantum

De oorzaak is onbekend. Een hypothese is dat het gaat om een niet-specifieke reactie van de huid bij gepredisponeerde patiënten op een specifieke stimulus zoals infectie of infestatie. Scabies werd vroeger als mogelijke oorzaak gezien, maar recente studies bevestigen dit niet. Man : vrouw verdeling 2:1. Door de jeuk kunnen kinderen met infantiele acropustulosis rusteloos zijn, verdrietig, geërgerd en ze kunnen een verminderde eetlust hebben. De slaap is vaak gestoord. Het klinisch beeld van steeds terugkerende aanvallen van plantaire en palmaire jeukende pusteltjes differentieert deze ziekte van de andere pustuleuze erupties op deze leeftijd.

DD:
Scabies, geïmpetiginiseerde scabies, Gianotti-Crosti syndroom, impetigo, pompholyx of dyshidrotisch eczeem, erythema toxicum neonatorum, transiente neonatale pustuleuze melanosis, congenitale cutane candidiasis, subcorneale pustulosis, dermatitis herpetiformis, eosinifiele pustuleuze folliculitis, Listeria septicemia, congenitale syphilis, Malassezia furfur pustulosis, herpes simplex, hand-foot-mouth disease, pustuleuze tinea, mastocytosis, lichen planus, psoriasis pustulosa, fixed drug eruption, amyloidosis.

Diagnostiek:
Lab is normaal (soms wat eosinofilie), kweken zijn negatief, direct preparaat (diff-quick) toont vooral neutrofielen, soms enkele eo's en geen micro-organismen.

PA: intraepidermale of subcorneale pustel gevuld met polymorfonucleaire leukocyten of een enkele eosinofiele granulocyt, soms aptotische keratinocyten.

Therapie:
R/ Sterke lokale corticosteroïden (klasse 3 en 4 steroïden).
R/ Dapson 1-2 mg/kg/dag in 2 doses (cave methaemoglobinaemia). Omdat de aandoening op een gegeven moment spontaan overgaat wordt dit alleen bij ernstige gevallen overwogen.
R/ Sulfapyridine (vrij toxisch sulfonamide).


Referenties
1. Kahn G, Rywlin AM. Acropustulosis of infancy. Arch Dermatol 1979;115:831-833.
2. Dromy R, Raz A, Metzker A. Infantile acropustulosis. Pediatr Dermatol 1991;8:284-287.
3. Jennings JL, Burrows WM. Infantile acropustulosis. J Am Acad Dermatol 1983;9:733-738.
4. Harper J, Oranje A, Prose N. Textbook of Pediatric Dermatology. Antaya RJ. Infantile Acropustulosis. Blackwell Science 2000:707-710.


Auteur(s):
dr. Jan R. Mekkes. Dermatoloog, AMC, Amsterdam.


16-02-2014 (JRM) - www.huidziekten.nl W3C-html-4.01-valid



web counter