RODE HOND (RUBELLA) home ICD10: B06.9

Rode hond (rubella, 3e ziekte, Engels: German measles) is een virus infectie die vooral voorkomt bij kinderen. De ziekte komt in Nederland nauwelijks nog voor omdat er sinds 1974 gevaccineerd wordt tegen rode hond. Af en toe is er een epidemie in Nederland, onder personen die zich vanwege principiële of religieuze redenen niet willen laten inenten. Bij kinderen verloopt de infectie meestal mild, maar bij ongeboren kinderen kan de ziekte leiden tot ernstige afwijkingen. Zwangerschappen kunnen eindigen in een miskraam of er kunnen misvormde kinderen worden geboren als een niet ingeënte moeder tijdens de zwangerschap rode hond krijgt.

Het rubellavirus komt alleen bij de mens voor en is erg besmettelijk. Iemand kan besmet raken door hoesten of niezen, maar het virus kan zich ook verspreiden over grotere afstanden. Wie het virus met zich meedraagt, steekt gemiddeld zeven tot acht andere mensen aan. Bovendien duurt de besmettelijke periode vrij lang: vanaf 10 dagen voordat de huiduitslag begint tot ongeveer 1 week daarna. De eerste verschijnselen van besmetting zijn huiduitslag en koorts, gemiddeld begint dat 14 tot 16 dagen na het moment van besmetting.

Rode hond (rubella, German measles) Rode hond (rubella, German measles)
rode hond (rubella) rode hond (rubella)


Klinisch beeld:
Bij de helft van de zieken is niks te zien van de besmetting, de andere helft krijgt meestal huiduitslag. Die begint in het gezicht en breidt zich snel uit. Eerst naar het bovenlijf, binnen een dag of twee ook naar de armen en benen. De rozerode uitslag bestaat eerst uit kleine maculae. Later kunnen die, vooral in het gezicht, samenvloeien. Oudere kinderen en volwassenen krijgen vaak enkele dagen vóór de huiduitslag last van hangerigheid, verhoging en opgezette lymfeklieren achter het oor en in de nek. Oudere meisjes en vrouwen kunnen ook gewrichtsklachten krijgen.

Incubatietijd: 14-21 dagen
Duur exantheem: 1-3 dagen
- gedurende 1-2 dagen: lichte koorts, algemene malaise of geen symptomen
- licht erythemateus
- begint in het gelaat, daarna centrifugale gegeneraliseerde uitbreiding
- lenticulair maculeus (papuleus), discreet, met minimale confluering op de romp

Complicaties:
Rodehond geeft bijna nooit complicaties. In zeldzame gevallen ontstaat er een trombocytopenie of encefalitis. Wat vaker voorkomt, is gewrichtspijn of soms een gewrichtsontsteking in vingers, polsen of knieën. Deze klachten verdwijnen meestal spontaan binnen een maand, maar kunnen soms ook langer duren. Sterfte komt nauwelijks voor. Rodehond is vooral gevreesd omdat het zo gevaarlijk is voor ongeboren kinderen. Als een vrouw tijdens de eerste drie maanden van de zwangerschap besmet raakt met het rubellavirus, is er grote kans op een aangeboren aandoening bij het kindje. Dat kunnen hart- en oogafwijkingen zijn, slechthorendheid en doofheid, een groeiachterstand, een tekort aan bloedplaatjes, lever- of miltvergroting, aandoeningen van het centrale zenuwstelsel, botafwijkingen of afwijkingen aan de urinewegen. Deze aandoeningen zijn bekend onder de naam congenitaal (aangeboren) rubellasyndroom (CRS). Hoe vroeger in de zwangerschap de aanstaande moeder besmet raakt, hoe ernstiger meestal de orgaanbeschadigingen. De infectie kan ook leiden tot een miskraam. Ook bij een besmetting later in de zwangerschap kan het ongeboren kind afwijkingen krijgen. Meestal gaat het dan om een ontwikkelingsachterstand en afwijkingen in het afweersysteem.

DD: Zie onder de maculopapuleuze kinderziekten)

Therapie:
Tegen rodehond bestaat geen behandeling. Het gaat vanzelf weer over. Wie rode hond heeft gehad, is daarna levenslang beschermd tegen de ziekte. Soms kan iemand wel opnieuw besmet raken, maar er ontstaan dan geen infectieverschijnselen. Ook de twee vaccinaties van het Rijksvaccinatieprogramma geven naar verwachting levenslange bescherming.

Vaccinatie:
Iedereen in Nederland die deelneemt aan het Rijksvaccinatieprogramma wordt gevaccineerd tegen rode hond. Het vaccin is onderdeel van de BMR-vaccinatie (bof, mazelen en rodehond). Kinderen krijgen deze prik, tegelijk met de vaccinatie tegen meningokokken C, als ze 14 maanden zijn. In het jaar dat ze 9 worden, volgt de tweede BMR-vaccinatie. Die krijgen ze tegelijk met de DTP-inenting (tegen difterie, tetanus en polio). De tweede BMR-vaccinatie bij 9 jaar is nodig, omdat de eerste bij ongeveer 5% van de kinderen niet aanslaat. Kinderen die tegen rode hond zijn gevaccineerd, kunnen anderen niet besmetten. Het rodehondvaccin in het Rijksvaccinatieprogramma is een levend vaccin. Er wordt een sterk verzwakt rubellavirus gebruikt, dat iemand niet ziek maakt, maar wel voor afweer tegen rode hond zorgt.


patientenfolder


Auteur(s):
dr. Jan R. Mekkes. Dermatoloog, AMC, Amsterdam.

25-02-2017 (JRM) - www.huidziekten.nl W3C-html-4.01-valid



web counter