ROODVONK (SCARLATINA, SCARLET FEVER) home ICD10: A38.9

Roodvonk (scarlatina, 2e ziekte, scarlet fever) is een milde exanthemateuze kinderziekte (zie ook onder de maculopapuleuze kinderziekten), veroorzaakt door toxinen die worden geproduceerd door groep A streptokokken (Streptococcus pyogenes). De bron van de infectie is bij kleine kinderen vaak een keelontsteking.

Roodvonk Roodvonk Roodvonk
roodvonk roodvonk papuleus

Roodvonk Stuccokeratosis Streptococcus pyogenes
roodvonk aardbeientong streptokokken

Het exantheem bij roodvonk is een kleinvlekkig maculeus of maculopapuleus (multipele kleine papeltjes waardoor de huid aanvoelt als schuurpapier) exantheem. Het ontstaat 2-7 dagen na de infectie en duurt 3-5 dagen. Het is gegeneraliseerd maar er is een voorkeur voor de flexuren (nek, oksels, liezen, binnenkant dijen, elleboog-plooien) en de borst. Het kan conflueren tot een diffuus erytheem. Het zit ook in het gezicht, vooral op de wangen (dd slapped cheek bij erythema infectiosum), maar het perinaso-orale gebied (narcose kapje) blijft vrij. Er kunnen rode vlekken op het verhemelte zitten en de tong kan het aspect hebben van een aarbeientong. Uiteindelijk trekt het in uiterlijk 10 dagen helemaal weg zonder littekenvorming. Aan handen en voeten, vooral vingertoppen kan de huid gaan vervellen (post-streptokokken desquamatie). Nog veel later kunnen lijntjes in de nagel verschijnen (Beau's lines). Er kunnen klachten zijn veroorzaakt door de streptokkeninfectie zoals koorts, malaise, keelpijn, hoofdpijn, misselijkheid en braken, vergrote tonsillen, vergrote lymfklieren.

De beta-hemolytische streptokok is een grampositieve bacterie die in ketens groeit (streptos = ketting/keten) en een scala aan infecties en complicaties kan veroorzaken, zoals respiratoire infecties (nasofaryngitis, faryngotonsillitis (angina), sinusitis, otitis media, pneumonie en/of empyeem), mastoïditis, peritonsillair en retrofaryngeaal abces, lymfadenitis colli, meningitis, roodvonk, acute glomerulonefritis, acuut reuma, pyoderma, lymfangitis, lymfadenitis, impetigo, erysipelas, aangezichtserysipelas, fasciitis necroticans, myositis, diepe wondinfectie, bursitis, septische artritis, osteomyelitis, sepsis, streptococcal toxic shock syndroom (STSS), vaginitis, cervicitis, perianale dermatitis (met name bij kinderen), kraamvrouwenkoorts, salpingitis, peritonitis, scrotale fasciitis necroticans (gangreen van Fournier), myocarditis, pericarditis, endocarditis, erythema marginatum (polycyclisch erytheem dat na enkele weken weer vervaagt), en chorea van Sydenham (St. Vitusdans). Besmetting verloopt via druppelinfectie (vanuit de keel) en via (in)direct contact. Ingedroogde blaasjes (impetigo) zijn niet besmettelijk. Hulpverleners kunnen de bacterie verspreiden door tussen patiëntcontacten de handen niet goed te wassen of via besmet materiaal of instrumentarium.

Na infectie bouwt men antibacteriële immuniteit op maar die is wel subtype-specifiek, hierdoor kan men later opnieuw geïnfecteerd worden door een ander subtype Str. pyogenes. Wel wordt de immuniteit tegen erytrogene toxines steeds beter, waardoor roodvonk na het zesde levensjaar minder voorkomt. De kans op keelontsteking blijft bestaan. De toenemende immuniteit tegen streptokokken leidt tot mildere en meer lokale infecties. Zuigelingen tot circa 6 maanden maken nog niet goed antistoffen en krijgen vooral mucopurulente nasofaryngitiden zonder verdere verbreiding van de infectie, waarschijnlijk omdat ze nog beschermd zijn door antistoffen van de moeder. Tussen 6 maanden en 3 jaar treden steeds opnieuw streptokokkeninfecties op, soms met complicaties. Er ontwikkelen zich nu antistoffen tegen bacterieproducten en het kind raakt gesensibiliseerd voor het erytrogene toxine. Roodvonk is op deze leeftijd nog betrekkelijk zeldzaam; klaarblijkelijk zijn kleine kinderen nog niet gevoelig voor het erytrogene toxine. Vanaf de leeftijd van 3 jaar kan bij een eerste infectie roodvonk ontstaan. In de leeftijd van 3 tot 10 jaar ontstaat toenemende immuniteit. Vanaf het 10e levensjaar vertonen streptokokkeninfecties in toenemende mate het karakter van opportunistische infecties.

Als in een klas roodvonk epidemisch voorkomt (> 3 gevallen in een maand) moet er gezocht worden naar vervellende kinderen die drager zijn en naar kinderen met evidente streptokokkeninfecties zoals impetigo of faryngitis. Om een eind te maken aan doorgaande transmissie kan het zinvol zijn om deze kinderen te behandelen. Overweeg behandeling in elk geval bij een cluster van roodvonk met een geval van glomerulonefritis of acuut reuma, of als meer dan een derde van de kinderen ziek is. Het is aan te bevelen huisartsen te informeren en het advies te geven niet alleen alle gevallen van roodvonk, maar tijdelijk ook gevallen van acute keelpijn te behandelen (met feneticilline 3 dd 250-500 mg). Kinderen met roodvonk mogen in principe school of kindercentrum bezoeken als zij zich niet ziek voelen.

Bij een patiënt met roodvonk in het ziekenhuis, dient druppelisolatie toegepast te worden tot 24 uur na het begin van de therapie. Contacten zonder klachten hoeven geen bijzondere voorzorgen in acht te nemen ter voorkoming van verspreiding naar anderen. Bij een patiënt met fasciitis necroticans, dient in het ziekenhuis contactisolatie toegepast te worden. Alleen bij STSS en fasciitis necroticans heeft contactonderzoek meerwaarde. Van de groep A-streptokokkeninfecties geldt een meldingsplicht voor STSS, fasciitis necroticans en puerperale sepsis.

Therapie:
R/ Broxil (feneticilline) 4 dd 500 mg gedurende 10 dagen. Kind ouder dan 4 weken: 40 mg/kg/dag verdeeld over 3 doses.
R/ amoxicilline 4 dd 500 mg gedurende 10 dagen.
R/ azitromycine 1 dd 500 mg op dag 1, daarna 1 dd 250 mg op dag 2-5. Kinderen: 1 dd 10 mg/kg, max 500 mg op dag 1 en max 250 mg op dag 2-5.
R/ claritromycine 2 dd 500 mg gedurende 10 dagen.
R/ clindamycine 3 dd 600 mg. Kinderen: 25 mg/kg verdeeld over 4 doses.


patientenfolder


Auteur(s):
dr. Jan R. Mekkes. Dermatoloog, AMC, Amsterdam.

12-06-2016 (JRM) - www.huidziekten.nl W3C-html-4.01-valid



web counter