|
SARCOIDOSE |
codes 0135.0008 / D86.3 |
Sarcoidose is een granulomateuze multisysteem ziekte die
zich meestal presenteert door bihilaire lymfadenopathie van de longen,
longinfiltratie, oogontstekingen en huidontstekingen. De oorzaak is in laatste
100 jaar niet duidelijk geworden. Er wordt gedacht dat de granulomateuze
ontsteking ontstaat door een immunologische reactie op de continue presentatie
van slecht afbreekbare antigenen. Het laatste wordt ondersteund door de inductie
van een granulomateuze reactie op infectieuze agentia zoals mycobacteriën,
parasieten maar ook op metalen als beryllium en aluminium.
Epidemiologie
De
exacte incidentie en prevalentie van sarcoidose zijn niet bekend met name omdat
de ziekte volledig subklinisch kan verlopen. Er wordt verondersteld op basis van
populaite-screeningen dat 30-60% een symptomatisch beloop heeft. De prevalentie
wordt echter geschat op zo'n 10-60 per 200.000 in de meeste Europese landen. In
landen met een hoge tuberculose-prevalentie en een beperkte gezondheidszorg
bestaan in het geheel geen betrouwbare data. Er zijn wat betreft de prevalentie
nogal wat geografische verschillen en ook verschillen in ras. De ziekte beloopt
acuter en ernstige bij zwarten terwijl de ziekte bij blanken vaker een
asymptomatisch of chronisch beloop heeft.
Voorts is clustering van ziekte gerapporteerd bij patiënten die dichtbij elkaar
vandaan wonen en binnen bepaalde beroepsgroepen zoals brandweerlieden en
werknemers binnen de gezondheidzorg. Er lijkt ook een seizoensinvloed te
bestaan. In Griekenland wordt 70% van de sarcoidose gevonden in het voorjaar
tussen maart en mei. Dit is ook voor andere landen, zoals Spanje en Japan,
gerapporteerd. Er is uitgebreid onderzoek verricht of er een relatie bestaat
tussen sarcoidose en micro-organisme. Hieruit zijn tot op heden geen harde
bewijzen naar voren gekomen, potentiële kandidaten zijn mycobacteriën en
propionibacterium species. Van de laatste bacterie werd meer DNA gevonden dan in
lymfeklieren van patiënten met sarcoidose dan in klieren van patiënten met een
maligniteit.
Sarcoidose presenteert zich in 70-90% van de gevallen tussen het 10e en 40e
levensjaar. Er bestaan verschillen aanwijzingen dat sarcoidose een genetische
achtergrond heeft. Ten eerste bestaan zoals genoemd raciale verschillen met
betrekking tot ernst en prevalentie en incidentie. Ten tweede bestaat een
verhoogde kans op de ontwikkeling van sarcoidose wanneer de ziekte voorkomt bij
eerste of tweede graads verwanten. Familiaire clustering vindt plaats bij
ongeveer 5-16% van de patiënten. Monozygote tweelingen ontwikkelen 2-4 maal
vaker sarcoidose dan dizygote tweelingen. Ten derde werden bij 644 Duitse
families met behulp van satellietmakers een linkage gevonden op een deel van het
MMHC op chromosoom 6 gevonden. Dit is in overeenstemming met voorgaande studies
waarin associaties werden aangetoond tussen klasse II moleculen en sarcoidose.
Sommige allelen zijn beschermend terwijl andere met de vatbaarheid voor ziekte
geassocieerd zijn. Het ontbreken van een duidelijk genetisch patroon suggereert
dat sarcoidose een polygene aandoening is die ontstaan na interactie met
omgevingsfactoren. Verder genetische studies zijn nodig om de relatie aan te
tonen tussen de genetisch predispositie en de ernst van de ziekte.
Histologie
De karakteristieke histopathologie van sarcoidose zijn niet-verkazende granulomen in het biopt. Een granuloom is een chronische ontstekingsreactie die gevormd wordt door een ophoping van monocyten, lymfocyten, macrofagen, en fibroblasten. In een granuloom worden verder twee typische cellen aangetroffen. Ten eerste aggregaten van geactiveerde macrofagen die een plaveisel-epitheelcelachtig uiterlijk hebben en daarom epithelioid cellen. Granulomen verdwijnen gewoonlijk maar kunnen ook aanleiding geven tot fibrose door de synthese van fibroblast stimulerende factoren. Bij patiënten met long sarcoidose worden granulomen gevonden in alveolaire septa, in de wanden van de bronchiën en in de pulmonale bloedvaten.
Bij sarcoidose worden in het perifere bloed lage aantallen CD4 positieve
T-cellen gevonden terwijl in de longspoeling (broncheoalveolaire lavage (BAL)
hoge aantallen CD4 positieve T-cellen gevonden hetgeen duidt op verplaatsing van
compartiment. De alveolaire CD4+ T-cellen brengen een Th1 patroon tot expressie
en hebben een hoge spontane IL-2 secretie dit in tegenstelling tot perifere CD4+
T-cellen. De T-lymfocyten brengen oligoclonaal T-cel receptoren tot expressie
wat kan duiden op een lokaal antigeen-gedreven T-cel respons. De IL-1 release
door alveolaire macrofagen is geassocieerd met een slechtere prognose terwijl de
afgifte van TGF-ß is geassocieerd met een betere prognose. Alveolaire
macrofagen zijn eveneens actieve producenten van chemokines en cytokines zoals
TNF-a.
Kliniek
De kliniek van sarcoïdose is vanzelfsprekend sterk afhankelijk van de ernst van betrokkenheid van de verschillende organen. Het algemene klachtenpatroon bij sarcoïdose omvat: vermoeidheid, zwakte, malaise, koorts en gewichtsverlies. In het beloop van sarcoidose bestaat vrijwel altijd een periode met longbetrokkenheid. Dit uit zich met name in droge hoest, dyspnoe en retrosternale pijn. Het meest kenmerkend is de bihilaire lymfadenopathie, daarnaast komt parenchymale longbetrokkenheid voor wat het zuurstoftransport over de alveolaire membraam belemmert. Vele organen buiten de longen kunnen betrokken worden bij deze multi-systeemziekte. De percentages die gerapporteerd zijn in de literatuur variëren sterk. Het laatste hangt vooral af van de bestudeerde populatie, het geslacht en de manier waarop de potentieel aangedane organen zijn onderzocht. De meest frequent aangedane organen naast de longen zijn: de huid, ogen reticuloendotheliale system, spier en skelet, exocriene klieren, hart, nieren en centraal zenuwstelsel. In de huid uit het zich als papels, noduli, plaques of tumoren. Karakteristiek zijn kleine papeltjes rond de neus. Ook het Köbner fenomeen komt voor bij sarcoïdose. Een granulomateuze ontsteking van een orgaan kan leiden tot een voorbijgaande of persisterende functiestoornis. Het laatste hangt vaak samen met de ontwikkeling van fibrose. Granulomen produceren vele groeifactoren waaronder een aantal fibroblast activerende groeifactoren zoals vermeld in de immuunpathogenese. Het is dan een uitdaging om de ontsteking geïnduceerde fibrose te voorkomen.
Orgaanlocalisaties
- Longen 95% (bihilaire lymfadenopathie, restictieve en obstructieve ziekte,
longfibrose)
- Bovenste luchtwegen 5-10% (larynx en trachea obstructie, sinusitis)
- Oog 15-25% (uveïtis, conjunctivitis, neuritis optica, lacrimaal klier
ontsteking, conjunctivitis)
- Huid 20% (erythema nodosum, papels, alopecia, lupus pernio, plaques)
- Lever 40-70% (hepatomegalie, geelzucht)
- Hart 5-10% (arrhytmie, cardiomyopathie)
-
Centraal zenuwstelsel (5-10%) (craniale neuropathie, Bell’s palsy, aseptische
meningitis, polyneuropathie)
- Speekselklieren (10%) (speekselkliervergroting, sicca syndroom)
- Hematologie (30-50%) (lymfadenopathie, splenomegalie, anaemie, lymfopenie,
trombocytopenie)
- Gewrichten/spier (10-20%) (polyartrtitis, myopathie)
- Endocrien (< 10%) (hypopituitarisme, diabetes insipidus)
- Metabool 10-20% (hypercalciemie, osteoporose?)
- Renaal < 5% (nierstenen, nefrocalcinose)
Diagnostiek
Centraal in de diagnose staat het histo-pathologisch onderzoek waarbij epithelioid granulomen aangetoond moeten worden. Deze zijn vrijwel altijd niet-necrotiserend, necrose wordt slechts bij uitzondering gevonden. Mycobacteriele infectie en schimmelinfecties gaan gewoonlijk wel gepaard met necrotiserende granulomen. Er bestaat een uitgebreide differentiaal diagnose met betrekking tot granuloom vorming. Naast infectieuze oorzaken moet er rekening mee gehouden worden dat bij maligne tumoren zoals bij de ziekte van Hodgkin, mammacarcinoom en longtumoren een granulomateuze reactie kan optreden. Symptomen zoals nachtzweten, fors gewichtsverlies en koorts noodzaken tot uitsluiten van een infectie of maligniteit.
Er bestaat geen specifieke test voor de diagnose sarcoidose. In figuur 1 wordt
het diagnostisch stappenplan weergegeven wanneer een verdenking bestaat op
sarcoidose. Ook hier wordt het verkrijgen van een histologische bevestiging
centraal gesteld. In dit schema is naast de bekende Galliumscan om
granulomateuze haarden op te sporen ook de zogenaamde OctroScan geplaatst. Dit
is een zeer gevoelige methode om granuloom lokalisaties op te sporen voor een
biopsie en om vast te stellen hoe uitgebreid het ziekteproces is. Ook
een CT scan van de thorax kan bijdragen in de diagnose omdat hiermee ook
mediastinale klieren, peribroncheale afwijkingen en subpleurale micronodiuli
zichtbaar gemaakt kunnen worden. Veel verwarring bestaat omtrent het zogenaamde
ACE (angiotensine converting enzyme) gehalte. Dit is verhoogd bij ongeveer
50-70% van de patiënten met sarcoidose en vooral bij de acute vorm. Een
verhoogd ACE gehalte is niet specifiek en komt voor bij een groot aantal andere
ziekten zoals de ziekte van Hodgkin, tuberculose, de ziekte van Gaucher etc.
Als laatste wordt in 10-20% van de patiënten een verhoogd calciumgehalte
gevonden. Dit wordt veroorzaakt doordat in een granuloom 25-hydroxy-calciferol
(vitamine D) gehydrolyseerd wordt tot 1,25-dihydroxycalciferol, de actieve vitamine D
metaboliet, die leidt tot een verhoogde calciumresorptie uit de darm en botten.

Sarcoidose van de huid
Bij
gemiddeld zo'n 20-25% van de patiënten met sarcoidose is de huid aangedaan. De
huidlesie die het sterkst geassocieerd is met sarcoidose is erythema nodosum.
Dit kan gevonden worden tijdens het beloop van sarcoidose, maar ontstaat echter
vaker bij het begin van de ziekte. De huidlesies kunnen worden geklassificeerd
als specifiek en niet-specifiek, waarbij de specifieke lesies
granulomateus zijn en de niet-specifieke reactief. Specifieke sarcoidlesies
manifesteren zich maculopapuleus, noduli, plaques, subcutane noduli,
littekeninfiltratie en als lupus pernio. Er bestaat geen relatie
met de ernst of uitgebreidheid van ziekte, behalve dat erythema nodosum gezien
wordt bij een vorm van sarcoïdose die zelflimiterend is.
Chronische huidsarcoïdose manifesteert zich als niet pijnlijke en niet-jeukende
plaques en subcutane noduli rond de haarlijn, oogleden, oren, neus, mond en de
strekzijde van de extremiteiten. Annulaire plaques komen voor op het voorhoofd
en leiden tot litteken en alopecia. Noduli worden later in het ziekte proces
gevonden. Oude littekens kunnen ook na jaren geïnfiltreerd worden bij
sarcoidose. Een veranderd litteken kan duiden op activiteit van de sarcoidose.
De reden van infiltratie is onbekend. Lupus pernio is de meest karakteristieke
huidlesie bij sarcoidose en duidt op fibrose.
Therapie
De behandeling van sarcoïdose hangt sterk af of er vitale organen aangedaan zijn. Bihilaire lymfadenopathie bijvoorbeeld is geen behandelingsindicatie zolang er geen parenchymale stoornissen bestaan met een ernstige diffusiestoornis. Gelimiteerde sarcoidose van de huid kan behandeld worden met topicale en intralesionale steroïden. Ook intralesionaal chloroquin per maand is beschreven. Een uitgebreide huidbetrokkenheid kan worden behandeld met systemische therapie. Verder wordt een behandeling aangeboden aan patiënten met neurosarcoïdose, betrokkenheid van het hart, nieren en ogen en bij hypercalciemie. In deze behandeling staan corticosteroïden nog steeds centraal. In onderstaande tabel zijn verschillende systematische therapieën opgenomen die gebruikt worden bij de behandeling van sarcoïdose. Wel dient steeds in aanmerking genomen te worden dat er tot nu toe slechts enkele gecontroleerde studies verricht zijn.
Systemische therapie voor sarcoidose (afgeleid van Baughman et al. Lancet 2003).
|
Medicijn |
Gangbare
dosering |
Gewone
toxiciteiten |
Commentaren |
|
Corticosteroïden: Prednison Prednisolon |
Begin: 20-40 mg dagelijks Handhaven: 5-10 mg dagelijks Of om de dag |
Diabetes, hypertensie, osteoporose, slapeloosheid, verhoogd risico van infectie |
Meest bestudeerde medicijn voor sarcoidose |
|
Anti-malaria
middelen Chloroquine Hydroxychloroquine |
Chloroquine:
100 mg dagelijks Hydroxychloroquine:
200-400 mg per dag |
Misselijkheid Retina
toxiciteit |
Geschikt
voor huidziekte en hypercalciemia |
|
Methotrexaat |
10-12 mg per week; aangepaste
dosering voor toxiciteit |
Misselijkheid,
Neutropenia, Hepatotoxiciteit, Pulmonary fibrose (zeldzaam) |
Geschikt
voor chronische sarcoidose. Heeft 6 maanden nodig om effectief te worden. |
|
Azathioprine |
10-150
mg dagelijks; aangepaste dosis voor toxiciteit |
Misselijkheid Neutropenia |
Minder bestudeerd dan methotrexaat. Vaker neutropenie en misselijkheid dan bij methotrexaat |
|
Pentoxifylline |
400-1200
mg dagelijks; aangepaste dosering voor toxiciteit |
Misselijkheid |
Gelimiteerd
gebruik voor acute ziekte |
|
Thalidomide |
50-200 mg dagelijks; aangepaste
dosering voor toxiciteit |
Slaperigheid,
Misvormingen, Teratogeen, Constipatie, Perifere neuropathie |
Meest geschikt voor huidziekte. Minder
effectief voor longziekte. |
|
Cyclofosfamide |
Oraal 50-150 mg per dag Intraveneus slag: 500-1500 mg Elke
2-4 weken; aangepaste dosering voor toxiciteit |
Neutropenie Misselijkheid Blaasontsteking Kankerverwekkend |
Effectief,
maar door toxiciteit gebruik beperkt alleen voor hardnekkige gevallen |
|
Infliximab |
Begin
5 mg/kg intraveneus, week twee, en dan elke 4-8 weken |
Verhoogde kans op infectie, vooral tuberculose Allergische
reactie op infuus. Kan niet gegeven worden aan patiënt met ernstige
Cardiale insufficiëntie |
Weinig data over effectiviteit Weinig
informatie over dosering |
Bron: P.M. van Hagen. Sarcoidose. In: Nanninga PB (ed.). OnDERMeer, Novartis, hfdst 10, pp 60-65.
|
SARCOIDOSE, MACRONODULAIR |
codes 0135.0010 / D86.31 |
|
SARCOIDOSE, MICRONODULAIR |
codes 0135.0008 / D86.32 |
|
SARCOIDOSE, MULTIPELE ORGANEN |
codes 0135.0008 / D86.8 |
|
SARCOIDOSIS, TYPE ANGIOLUPOID BROCQ PAUTRIER (Angiolupoid) |
codes 0135.0008 / D86.33 |
|
SARCOIDOSIS, TYPE LUPUS PERNIO |
codes 0135.0008 / D86.34 |
21-06-2009 (JRM) - www.huidziekten.nl