|
SCHISTOSOMIASIS (Bilharzia, Cercariën dermatitis, Swimmer's itch) |
codes 0120.3001 / B65.3 |
Schistosomiasis (schistosomiase, bilharziasis) is een parasitaire infectie die veroorzaakt wordt door in het bloed levende trematoden of zuigwormen. Bij de mens worden vijf soorten schistosomen gevonden. Er komen twee ziektebeelden voor: intestinale schistosomiasis wordt veroorzaakt door Schistosoma mansoni, S. intercalatum, S. japonicum of S. mekongi; blaas-schistosomiasis door S. haematobium. De aandoeningen kunnen alleen worden opgelopen in de (sub)tropen door contact met zoet water waarin zich geïnfecteerde waterslakken bevinden die de tussengastheren voor de parasieten vormen. In Nederland komen bij vogels schistosomen voor die cercariën dermatitis of zwemmersjeuk (Swimmer's itch) kunnen veroorzaken.
Verspreiding in de wereld
S. haematobium en mansoni komen het meest frequent voor. S. haematobium komt met name voor in Afrika en het Midden Oosten. S. mansoni in Afrika, Midden en Zuid Amerika, Suriname en Egypte. Wereldwijd zijn 200 miljoen mensen geïnfecteerd met schistosomiasis, waarvan er 120 miljoen een symptomatische infectie hebben en 20 miljoen ernstig ziek zijn. In Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara, waar 85% van de 200 miljoen wonen, schat men de mortaliteit ten gevolge van intestinale en blaasschistosomiasis op 130.000 - 150.000 gevallen per jaar.
Intestinale schistosomiasis:
- S. mansoni komt vooral voor in Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara
tot in
oostelijk Zuid-Afrika en Madagaskar, enkele landen in het Midden-Oosten, in
Zuid-Amerika vooral in Brazilië en de kuststreken van Suriname en Venezuela en op
enkele
Caribische eilanden.
- S. intercalatum komt focaal voor in Centraal-Afrikaanse landen.
- S. japonicum wordt gevonden in China, Filippijnen, Thailand en nog op één
plaats in
Sulawesi (Indonesië).
- S. mekongi wordt gevonden in Laos en Cambodja.
Blaasschistosomiasis:
- S. haematobium wordt vooral aangetroffen in Afrikaanse landen ten zuiden van
de
Sahara en in het oostelijk Mediterrane gebied, vooral Egypte.
Door toegenomen toerisme wordt infectie met S. mansoni, S. haematobium of S. intercalatum steeds frequenter gezien bij reizigers naar tropische gebieden. Geschat wordt dat enkele honderden infecties per jaar worden geïmporteerd. In Nederland kunnen de infecties niet worden verkregen. De kans is klein dat de ontwikkelingscyclus van de parasieten zich in Nederland afspeelt of gaat afspelen.

Pathogenese:
De infectie wordt overgebracht via contact met besmet zoet water. De eieren van
een besmette patiënt komen met de urine of de ontlasting in het water terecht.
In het water komen uit deze eieren honderden larven (miracidiae) vrij, die
vervolgens een zoetwaterslak penetreren. In de zoetwaterslak vermenigvuldigen de
larven zich en worden duizenden cercariae gevormd. Deze cercariae verlaten de
zoetwaterslak en kunnen de intacte huid van een mens penetreren. Vervolgens
migreren de cercariae door de huid, via de bloedbaan, naar de portale venen in
de lever, waar ze zich tot wormen ontwikkelen. In de portale venen coaten de
wormen zich met albumine om onzichtbaar te blijven voor het immuunsysteem.
Vanuit de lever migreren mannelijke en vrouwelijke wormen tegen de bloedstroom
in, via de vena cava inferior en de vena mesenterica inferior, naar de kleine
bloedvaten rond de blaas (S. haematobium) of rond de darm (S. mansoni). Hier
leggen de wormen eieren, welke eerst de vaatwand en daarna de blaaswand of
darmwand passeren, om vervolgens respectievelijk via urine of faeces te worden
uitgescheiden. De eieren komen weer in het water terecht, waarmee de cirkel rond
is.

Algemene
symptomen:
De symptomen van schistosomiasis worden primair veroorzaakt door de
immuunrespons tegen de penetrerende en migrerende larvae en later tegen de
eieren die zich in weefsel hebben genesteld. Drie klinische stadia kunnen worden
onderscheiden: cercariën dermatitis, acute schistosomiasis en chronische
schistosomiasis.
- Cercariën dermatitis wordt gekenmerkt door een acuut optredende jeukende,
papulaire uitslag, welke kort na penetratie van de larvae optreedt. Elke
jeukende papel correspondeert met de plaats waar een cercaria de huid is binnen
gedrongen. Meestal genezen de huidafwijkingen binnen enkele dagen. Cercariën
dermatitis verloopt heftiger bij niet humane typen schistosomiasis, waarbij de
larvae zich niet in de mens kunnen ontwikkelen en in de epidermis vastlopen. Ook
in Nederland komt cercariën
dermatitis voor.
|
|
||
|
cercariën |
swimmer's itch |
swimmer's itch |
- Acute schistosomiasis treedt vroeg na de besmetting op en wordt veroorzaakt
door een type III immunologische reactie tegen circulerende larvae en eieren.
Het uit zich met onder andere koorts, algemene malaise, eosinofilie en soms
urticaria. Een ernstige uiting is het Katayama syndroom, waarbij eieren
vastlopen in de lever. Dit geeft een immunologische reactie, waarbij fibrosering
optreedt met massale leverdestructie. Dit kan leiden tot portale hypertensie.
Bij het Katayama syndroom kunnen optreden koorts, moeheid en
spierpijn, al
dan niet gepaard met nachtzweten, hoesten en kortademigheid, diarree,
gewichtsverlies,
urticaria, gewrichtspijn hepatomegalie en splenomegalie.
- Chronische schistosomiasis verloopt meestal asymptomatisch, maar afhankelijk
van de locatie van de wormen kan deze ook symptomatisch verlopen. In het geval
van S. haematobium, waar de wormen rond de blaas gelokaliseerd zijn, kan
hematurie, dysurie en pollakisurie optreden, na vele jaren soms gevolgd door
obstructieve uropathie en blaascarcinoom. Bij S. mansoni, waar de wormen zich
rond de darmwand bevinden, kunnen optreden diarree, bloed en slijm op de ontlasting,
soms
dysenterie, buikpijn, en haematemisis. Tevens kan er sprake zijn van forse
hepatosplenomegalie en ascites.
- Eieren kunnen ook op andere dan gebruikelijke locaties terechtkomen, zoals in spierweefsel, huid (cutane ectopische schistosomiasis) of het centrale zenuwstelsel. Met name de eieren van S. haematobium kunnen in of rond de geslachtsorganen terechtkomen en daar urogenitale of gynaecologische symptomen veroorzaken.
Cutane
ectopische schistosomiasis
Dit is zeldzaam, treedt enkele weken tot 2 jaar na besmetting op en wordt
gekenmerkt door soms jeukende, 2-3 mm grote, erythemateuze, vast-elastische
papeltjes of noduli, welke vaak geclusterd voorkomen. In latere instantie kunnen
deze conflueren tot gelichenificeerde plaques.
Cutane ectopische schistosomiasis wordt veroorzaakt door een ontstekingsreactie
tegen eieren in de dermis en subcutis. De verklaring voor het feit dat de eieren
op deze ongebruikelijk plaats belanden wordt gevormd door vrouwelijke wormen die
de "normale route" van de portale venen in de lever via de vena cava
naar de plexus rond blaas of darm verlaten en hun eieren leggen in een vene die
de huid irrigeert. In het geval van beschreven patiënte zijn wormen via de
pelviene plexus en vervolgens de vertebrale plexus in de spinale venen beland,
wat ook de zosteriforme distributie kan verklaren.
Bij cutane ectopische schistosomiasis komen de huidlaesis meestal voor op de
lagere romp en in het bekkengebied. Met name bij vrouwen is de genitale huid
vaak aangedaan en kan het onderscheid met bijvoorbeeld maligniteiten en seksueel
overdraagbare infecties zoals genitale wratten en syfilis moeilijk zijn.
Cutane ectopische schistosomiasis, die veroorzaakt worden door ectopische
eieren, moet niet verward worden met cercariën dermatitis, waar de
huidafwijkingen worden veroorzaakt door een reactie op de penetrerende
cercariën.
Histologie: granulomateuze ontsteking met lymfocyten, histiocyten en plasmacellen. Soms worden parasitaire eieren aangetroffen, omgeven door fibrinoïd, necrotisch materiaal met een wal van histiocyten.
Incubatieperiode:
Invasiestadium: meestal enkele uren (maar ook tot enkele dagen) na penetratie
van de
huid door de cercariën.
Migratie- en maturatiefase (acute schistosomiasis of Katayama-syndroom): twee
tot zes
weken na infectie.
Gevestigde infectie: enkele maanden na eerste infectie.
Ernstige chronische infectie: maanden tot jaren na eerste infectie.
Er zijn verschillen in de lengte van de periode tussen het tijdstip van infectie
en het tijdstip
waarop de eerste eieren in de ontlasting (intestinale schistosomiasis) of de
urine (blaasschistosomiasis)
kunnen worden gevonden.
Intestinale schistosomiasis: S. mansoni, S. japonicum, S. mekongi na circa vier
weken,
S. intercalatum na circa negen weken.
Blaasschistosomiasis: S. haematobium na acht tot twaalf weken.
Diagnostiek:
PCR op S. haematobium.
Laboratoriumonderzoek: routine hematologisch inclusief totaal eosinofielen.
Parasitologisch onderzoek:
- TFT-test: onderzoek ontlasting op wormeieren.
- 24 uurs urine op Schistosoma eieren (of een sediment van urine, geproduceerd rond het midden
van
de dag na activiteit, bijvoorbeeld traplopen of fietsen).
- Serologisch onderzoek op antistoffen tegen Schistosomiasis (ELISA of IF). Seroconversie vindt
vijf tot
acht weken na de eerste infectie plaats, waardoor het aan te bevelen is om
serologisch
onderzoek minimaal acht weken na een mogelijke blootstelling aan te vragen. In
sommige
laboratoria kunnen zowel antilichamen
gericht
tegen volwassen wormen (cut off = 1:80) als antilichamen gericht tegen
wormeieren (cut off = 222) worden bepaald. Monosexuele
infecties
komen voor, waardoor er bij het vinden van antilichamen gericht tegen volwassen
wormen
er geen eiproductie aantoonbaar hoeft te zijn.
- Huidbiopt bij cercariën dermatitis en bij cutane ectopische schistosomiasis. Bij chronische S. intercalatum- en S. haematobium-infecties is soms een rectumbiopt nodig om te beoordelen of de infectie nog actief is.
|
Schistozoma japonicum ei |
Schistozoma mansoni ei |
Therapie:
R/ Praziquantal (Biltricide®) tab à 600 mg; 40 mg/kg eenmalig. Praziquantel is voor alle soorten het middel van eerste keus en werkt op de volwassen wormen en weinig tot niet op de onvolwassen stadia. Het advies is om altijd te behandelen, omdat zolang er ei-antigenen aanwezig blijven de granuloomvorming doorgaat. Voor infecties met S. japonicum wordt een hogere dosering geadviseerd dan bij de andere soorten (zie onder). Bij acute schistosomiasis of Katayamasyndroom kan afhankelijk van de verschijnselen praziquantel tezamen met corticosteroïden gegeven worden.
Het Farmacotherapeutisch Kompas geeft de volgende doses op voor de verchillende subtypen:
S. haematobium (urogenitale bilharziasis): 40 mg/kg lichaamsgewicht in één dosis. Voor een volwassene van 75 kilo komt dat neer op 3000 mg = 5 tabletten a 600 mg.
S. mansoni (intestinale bilharziasis) en S. intercalatum: 40 mg/kg lichaamsgewicht in één dosis of 20 mg/kg lichaamsgewicht tweemaal op één dag met een tussentijd van 4–6 uur.
S. japonicum en S. mekongi: 60 mg/kg lichaamsgewicht in één dosis of 30 mg/kg lichaamsgewicht tweemaal op één dag met een tussentijd van 4–6 uur.
C. sinensis en O. viverrini: 25 mg/kg lichaamsgewicht driemaal per dag met tussenpozen van 4–6 uur, gedurende één tot drie dagen.
P.
westermani en andere spp.: 25 mg/kg
lichaamsgewicht driemaal per dag met tussenpozen van 4–6 uur, gedurende twee
tot drie dagen.
De tabletten heel tijdens of na een maaltijd innemen, bij eenmalige dosering 's
avonds.
Katayama syndroom (acute schistosomiasis)
R/ praziquantel 2 dd 20 mg/kg + prednison 2 dd 60 mg gedurende 3 dagen. Na 3-6 maanden praziquantel 40 mg/kg eenmalig.
Referenties
|
1. |
Farrell AM., et al. Ectopic cutaneous schistosomiasis: extragenital involvement with progressive upward spread. Br J Dermatol 1996;135:110-112. |
|
2. |
Leman JA., et al. Localized papular cutaneous schistosomiasis: two cases in travellers. Clin Exp Dermatol 2001;26:50-52. |
|
3. |
Milligan A, Burns DA. Ectopic cutaneous schistosomiasis and schistosomal ocular inflammatory disease. Br J Dermatol1988;119:793-798 |
|
4. |
Obasi OE. Cutaneous schistosomiasis in Nigeria. An update. Br J Dermatol 1986;114:597-602. |
|
5. |
Pistone T., et al. Ectopic cutaneous schistosomiasis-perigenital infiltrative granulomata in a 34-year-old French pregnant woman. Travel Med Infect Dis 2008;6:155-157. |
15-05-2011 (JRM / MVS) - www.huidziekten.nl