SJÖGREN-LARSSON SYNDROOM home ICD10: Q80.22

Het Sjögren-Larsson syndroom is een zeldzame autosomaal recessieve congenitale stofwisselingsstoornis gekenmerkt door congenitale ichthyosis, spastische di- of quadriplegie (langzaam ontwikkelend) en mentale retardatie. Het is in 1957 voor het eerst beschreven in een Zweedse populatie met veel consanguïniteit. In Nederland zijn circa 20 patiënten bekend. De ichthyosis is meestal vanaf de geboorte aanwezig, en soms is er een collodion baby. In het begin is de huid erythemateus en licht schilferend, later ontstaat een sterke rimpeling van de huid met een oranjebruine, soms grijze verkleuring en neemt de schilfering af. Hele lichaam behalve gelaat kan aangedaan zijn, maar vooral de nek, onderbuik en binnenzijde van de ellebogen. Kenmerkend is hevige jeuk (meer dan bij andere vormen van ichthyosis). Haren, nagels en zweetproductie zijn normaal.

Sjögren-Larsson syndroom Sjögren-Larsson syndroom Sjögren-Larsson syndroom
Sjögren-Larsson syndroom Sjögren-Larsson syndroom Sjögren-Larsson syndroom


Patiënten met het Sjögren-Larsson syndroom hebben een deficiëntie van het microsomaal gelokaliseerde enzym vetaldehyde dehydrogenase (fatty aldehyde dehydrogenase, FALDH). Dit enzym katalyseert 1) de omzetting van middellange en langketige vetaldehyden, afkomstig van vetalcoholen, naar hun corresponderende vetzuren, 2) de alfa-oxidatie van fytaanzuur en 3) de omega-oxidatie van leukotrieën B4. Een deficiëntie van FALDH leidt tot een overmaat aan vetalcoholen of vetaldehyden. Deze moleculen gaan intracellulair stapelen en veroorzaken schade aan zenuwcellen.

In de eerste 2 levensjaren wordt duidelijk dat er neurologische stoornissen zijn: vertraagde motoriek, uiteindelijk symmetrische spasticiteit, vooral aan de benen, ontstaan van contracturen. De patiënten worden meestal veelal rolstoelafhankelijk. Mentale retardatie (IQ tussen 40 en 60); opvallend vriendelijk en goed gehumeurd. Vertraagde taal-spraak-ontwikkeling, pseudobulbaire dysarthrie. Zelden epilepsie. Oogheelkundige afwijkingen worden gevonden bij alle SLS patiënten (fotofobie, suboptimale visus, retinopathie met retinale kristallen). Bij MRI van de hersenen zijn witte stof afwijkingen zichtbaar.

Diagnostiek:
Neurologisch onderzoek, MRI, EEG. Proton Magnetische Resonantie Spectroscopie. Fundoscopie door de oogarts. De diagnose kan worden gesteld d.m.v. enzymdiagnostiek en mutatie-analyse op witte bloedcellen of gekweekte fibroblasten van de huid. Beide onderzoeken worden verricht in het Laboratorium voor Genetische Metabole Ziekten in het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam.

Therapie:
Er is geen oorzakelijke behandeling mogelijk. De jeuk kan worden behandeld met zileuton, dat remt de leukotrieënen-synthese. Verder vooral symptomatische behandeling bestaande uit ondersteuning van de motorische functies (fysiotherapie, ergotherapie, orthesen, een rolstoel of orthopedische correcties van contracturen), de communicatie (logopedie, gebruik van computer) en speciaal onderwijs.
R/ zileuton, 4 dd 1 tablet à 600 mg (dosering vanaf 12 jaar).
R/ Lokale keratolytische therapie (ureum of vitamine A bevattende crèmes).
R/ Systemische retinoïden (acitretine) bij oudere kinderen.


Referenties
1. Sjögren T, Larsson T. Oligophrenia in combination with congenital ichthyosis and spastic disorders. Acta Psych Neurol Scand 1957;32:1-113.
2. Rizzo WB, Carney G, Lin Z. The molecular basis of Sjögren-Larsson syndrome: mutation analysis of the fatty aldehyde dehydrogenase gene. Am J Hum Genet 1999;65:1547-1560.
3. Willemsen MAAP, Rotteveel JJ. Het Sjögren-Larsson syndroom. Ned Tijdschr Neurol 2001;3:179-185.


Auteur(s):
dr. Jan R. Mekkes. Dermatoloog, AMC, Amsterdam.

26-02-2015 (JRM) - www.huidziekten.nl W3C-html-4.01-valid



web counter