|
TUNGIASIS |
codes 0134.1000 / B88.1 |
Parasitaire huidziekte, vaak aan de voeten (tenen, hielen), veroorzaakt door de vrouwelijke zandvlo (Tunga penetrans) die zich ingraaft in de dermis van de gastheer. Tungiasis komt voor in Zuid en Midden-Amerika, het Caraïbisch gebied, Afrika, Pakistan en India. Honden, katten, varkens en ratten zijn de belangrijkste reservoirs. Wordt steeds vaker in Nederland gezien als importziekte door toename van het reizen naar de tropen (werk, vakantie). Tunga penetrans heeft vele andere namen: zandvlo, 'jigger' (Engels), 'chique' (Frans), 'sika' (Surinaams), 'bicho de pe' (vlo van de voet, Portugees). Tungiasis behoort tot de grotere ectoparasitosen, samen met pediculosis, scabiës en cutane larva migrans, substantiële morbiditeit veroorzakend in endemische gebieden.

Beloop
infectie:
De volwassen vlo is roodbruin, het mannetje is ongeveer 0.5 mm lang, het
vrouwtje 1 mm. Ze leven bij voorkeur op een warme, droge, schaduwrijke en
zanderige bodem, in stoffige hutten, veestallen en andere dierbehuizingen. Het
bevruchte vrouwtje probeert zich in de huid van mens of dier in te graven. Na de
huid binnengekomen te zijn, vergroot zij zich door bloed en ontwikkelende
eieren. Als haar abdomen zwelt, kan zij een afmeting van een centimeter
bereiken. De kop van de
vlo dringt door tot in de dermis. De achterste abdominale segmenten (het neosoom)
blijven door
een gat in de hoornlaag verbinding houden met de buitenwereld, zodat de vlo kan
blijven ademen en excreet en rijpe eieren naar buiten brengen. Honderden eieren
worden op deze manier in een periode van ongeveer drie weken uitgestoten. Nadat
de eieren naar buiten gebracht zijn, sterft het vrouwtje in situ, verschrompelt
en wordt uitgestoten.
|
Tunga penetrans |
Tunga penetrans |
Tunga penetrans |
Tunga penetrans |
Tunga penetrans |
|
Tungiasis |
Tungiasis |
Tungiasis |
Tungiasis |
Tungiasis |
|
Tungiasis |
Tungiasis |
Tungiasis |
Klinisch
beloop:
Aspect van de laesie is afhankelijk van de fase waarin de infectie zich
bevindt. Er kunnen vijf stadia worden onderscheiden:
Stadium 1: (vlo in statu penetrandi, 30 minuten tot enige uren)
Op de plaats van penetratie is aanvankelijk een kleine erythemateuze papel met
een zwarte pit zichtbaar, met of zonder erythemateuze halo. De patiënt klaagt
vaak over jeuk.
Stadium
2: (beginnende hypertrofie met formatie van neosoom)
Laesie duidelijker aanwezig, groeiende wittige papel ontstaat met in het midden
een zwarte punt (het anale / genitale deel van de vlo) omgeven door erytheem.
Stadium
3: (maximale hypertrofie, twee dagen tot drie weken na penetratie)
Hypertrofie wordt macroscopisch zichtbaar, een zwelling met scherpe begrenzing en vastelastische consistentie ontstaat, frequent
omringd
door lokale desquamatie. Typisch
voor deze fase is het uitstoten van eieren en faeces. De laesie wordt nu als
pijnlijk ervaren, er ontstaat een vreemdlichaam reactie bij de patiënt.
Stadium
4: (drie tot vijf weken na penetratie)
Een zwarte crusta bedekt een naar binnenwaarts gekrulde laesie met hierin de
dode parasiet. De dode vlo wordt in de dermis van de gastheer geëlimineerd, een
circulaire depressie in de epidermis achterlatend.
Stadium
5: (zes weken tot enige maanden na penetratie)
Een rond litteken in het stratum corneum is karakteristiek voor dit stadium.
Typisch voor T. Penetrans is dat vaak de hielen, het periunguale deel van de tenen, of het gebied net onder de nagelrand is aangedaan, de reden hiervoor is onbekend. De zandvlo kan ook op handen, ellebogen, billen en in de genitale regio worden aangetroffen. De vlo kan tot 250 keer haar eigen lengte springen. Als zich meerdere laesies tegelijkertijd voordoen, zijn de parasieten vaak in clusters aanwezig, vaak op hielen, tenen en voetzolen. De aandoening kan gecompliceerd worden door secundaire superinfectie van de laesie(s). Vaak door stafylokokken, streptokokken, maar ook Clostridiae kunnen hierbij betrokken zijn. Niet-gevaccineerde individuen kunnen door tungiasis met tetanus geïnfecteerd worden. Bij ruptuur tijdens verwijdering, waarbij monddelen van de parasiet blijven vastzitten, kan er forse lokale ontsteking ontstaan.
DD
(afhankelijk van stadium infectie):
Stadium 1: vreemd lichaam reactie, splinter, zee-egel punt.
Stadium 2: (persistant) insectensteek, acute paronychia.
Stadium 3: furunculaire myiasis (infestatie door vliegenlarven), persistant
insect bite, scabiës, dermoid cyste, pyodermie (bij purulente laesie).
Stadium 4: locaal gangreen, acrolentigineus melanoom.
Diagnostiek:
De diagnose wordt gesteld door een combinatie van klinisch beeld, beloop, en
anamnese (recent in buitenland geweest in endemische gebieden).
Eventueel
aanvullend onderzoek: dermatoscopie (soms is lozing van eieren hierbij
waarneembaar).
Behandeling:
In alle gevallen de vlo / vlooien verwijderen. In de tropen wordt de vlo er
meestal met een (steriele) naald uitgepeuterd, eventueel na reinigen met alcohol
of ether (doodt de vlo). Om de vlo er netjes uit te krijgen zonder resten achter
te laten is het eigenlijk nodig om de opening iets te vergroten. Bij
aanwezigheid van meer faciliteiten kan men dat doen (zonodig na lokale
anaesthesie) door de opening te omboren met een 4 mm biopteur of te vergroten
met een of meer mes sneetjes. Daarna de vlo verwijderen met pincet en/of kleine
curette. Goed reinigen en eventueel nabehandelen met lokale antiseptica (b.v.
flammazinezalf of betadine jodiumzalf) om secundaire infectie te voorkomen. Check tetanus
vaccinatie status, zonodig revaccineren (zie onder tetanus).
R/
Stromectol (ivermectine tab 3 mg), 200 microg/kg lichaamsgewicht eenmalig
(overeenkomend met 15-24 kg 3 mg, 25-35 kg 6 mg, 36-50 kg 9 mg, 51-65 kg 12 mg,
66-79 kg 15 mg, vanaf 80 kg 18 mg). Bij
multipele lesies.
R/
Ambilhar (niridazole, Ciba Geigy, te
importeren op artsenverklaring) 30 mg/kg. Bij multipele
lesies.
Preventie:
Voorlichting aan toeristen over het bestaan van de aandoening en advies om afgesloten schoeisel
te dragen in endemische gebieden.
Referenties
|
1. |
Feldmeier H, Heukelbach J. Tungiasis. In: Faber WR, Hay RJ, Naafs B (eds.). Imported skin diseases, 2006, pp: 233-240. |
|
2. |
Gibbs NF. Tungiasis. Emedicine Topic 477 (last update February 2007). |
|
3. |
de Bree R, van Vloten WA. Tungiasis. Ned Tijdschr Geneeskd 1992;136: 1359-1362. |
|
4. |
Sachse MM, Guldbakke KK, Khachemoune A. Tunga penetrans: a stowaway from around the world, review article. JEADV 2007;21: 11-16. |
|
5. |
Heukelbach J, Feldmeier H. Ectoparasites - the underestimated realm. Lancet 2004;363: 889-891. |
10-11-2007 (DVZ / WRF / JRM) - www.huidziekten.nl