|
XANTHOGRANULOMA JUVENILE (JUVENIEL XANTHOGRANULOOM) |
codes 0216.9001 / D76.3 |
|
Xanthogranuloma juvenile (juvenile xanthogranuloma, JXG) is een zeldzame aandoening behorende tot de histiocytosen. Om onbekende redenen ontstaat een ophoping van histiocyten op een plek. Er bestaan 3 vormen van:
1. cutane vorm (juveniel xanthogranuloom van de huid) 2. systemische vorm (multipele xanthogranulomen in huid, ogen, longen, ruggemerg, hersenen) 3. oculaire vorm (xanthogranuloom van het oog)
Cutane vorm De cutane vorm uit zich als een scherp begrensde, vast-elastische, geelbruine en soms rozerode papels of noduli, solitair of multipel (meestal multipel), enkele mm tot 1.5-2 cm groot, vooral op gelaat of schedel gelokaliseerd, soms op romp of proximale extremiteiten. Vroege afwijkingen zijn rozerood, meer mature geelbruin. Behalve dit klassieke beeld zijn ook atypische lokalisaties van het juveniel xanthogranuloom beschreven zoals handpalm, mondslijmvlies, penis, subunguaal, geclusterde vormen, giant-varianten (2-10 cm), gemengd micro- en macronodulair beeld, en duizenden speldenknopgrote papeltjes. De prognose van juveniel xanthogranuloom is, in tegenstelling tot die van de systemische histiocytosen, goed: de huidafwijking gaat binnen 1-6 jaar spontaan in regressie. Er is een associatie tussen JXG en neurofibromatose type I en juveniele chronische myeloïde leukemie. Bij circa 20% worden café au lait macula gevonden. De oorzaak is onbekend, mogelijk een reactie van de dermale dendrocyten op een onbekende stimulus. JXG ontstaat op jonge leeftijd, bij 71% in het eerste levensjaar, bij circa 35% is het reeds bij de geboorte aanwezig. Het komt vaker voor bij jongetjes (1:4). Het kan ook (circa 10% van de gevallen) bij volwassenen voorkomen, meestal rond 20-30 jaar, vaak solitaire laesies. Extracutane JXG is zeldzaam (3.9%) en betreft vooral het oog (< 1%) en de periorbitale regio, daarna de longen en de lever.
Systemische
lokalisaties xanthogranuloma
Juveniel xanthogranuloom van het oog Het oog is de meest voorkomende extracutane lokalisatie, maar wel zeldzaam (bij 0.3-0.4%). De iris is het frequentst aangedaan, maar ook in de cornea, de conjunctiva, de sclera, de fossa glandulae lacrimalis en de orbita kunnen xanthogranulomen ontstaan. Door de vaatrijkdom kan een spontane bloeding in de voorste oogkamer (hyphaema) ontstaan, met secundaire glaucoomvorming.
DD: dermatofibroom, Langerhans cel histiocytose, mastocytose, mastocytoom, Spitz naevus, naevus, xanthoma, atheroomcyste (epidermale cyste), pilomatrixoma, necrobiotisch xanthogranuloma.
Diagnostiek: De diagnose kan op het klinisch beeld gesteld worden, bij twijfel is histologisch onderzoek inclusief immunohistochemische kleuringen nodig. Hoewel het juveniel xanthogranuloom een typisch xanthomateus aspect heeft en op xanthomen kan lijken, is het geen vetstapelingsziekte, het lipidenspectrum is normaal. Een consult oogarts is te overwegen, zeker bij zichtbare lokalisatie rond het oog. Bij de zeldzame combinatie van JXG en type 1 neurofibromatosis (NF1) alert zijn op juveniele myelomonocytic leukemia (JMML). Screenend heamatologisch lab is niet zinvol, wel alert zijn op leukemie symptomen (malasie, nachtzweten, anemie, hepatosplenomegalie, lymfadenopathie), zonodig daarvoor doorverwijzen naar de kinderarts.
Histopathologie:
Therapie: De behandeling is expectatief, de laesies verdwijnen vanzelf binnen 1-6 jaar, vaak met achterlating van atrofie of anetodermie, en hyperpigmentatie. Op het behaarde hoofd laat het een kale plek achter. Chirurgisch verwijderen is niet nodig omdat het spontaan weggaat, maar kan wel gedaan worden om diagnostische (excisiebiopt) of cosmetische redenen. Er is een kleine kans dat de laesie in het litteken recidiveert. Systemische vormen gaan ook meestal in regressie, maar niet altijd. Soms is radiotherapie, immuunsuppressie en chemotherapie nodig.
Oculaire xanthogranulomen worden behandeld met lokale corticosteroïden, zonodig subconjunctivale of systemische corticosteroïden, en een enkele keer met een lage dosis radiotherapie (300-400 cGy).
Voorlichting: Leg de ouders uit dat het in verreweg de meeste gevallen vanzelf overgaat in 1-6 jaar en dat de kans op het ontstaan van systemische ziekte heel erg klein is (ouders komen op internet verontrustende verhalen tegen, de websites hierover zijn vooral gevuld met de negatieve verhalen van kinderen met de zeldzame systemische variant). De ouders moeten wel weten dat het bestaat en waar ze op moeten letten: oogklachten, café au lait vlekken en huidkleurige of andere bultjes, vermoeidheid of bleekheid.
Follow-up: Follow-up is nodig, gezien onder andere oogheelkundige complicaties en het verband met neurofibromatose type I en juveniele chronische myeloïde leukemie. Er zijn geen adviezen bekend over wat het controleschema's zou moeten zijn. Een mogelijk advies is: foto's maken, eerste controle over 2 maanden, daarna 2 x per jaar, daarna 1 x per jaar gedurende 5 jaar of totdat ze in regressie zijn.
Referenties
31-03-2012 (JRM) - www.huidziekten.nl |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||